zondag 14 december 2014

De BUN en de negenhonderdduizend boeddhisten

Een aanvulling op mijn blog van 11 december . Daarin geef ik (onder andere) weer, aan voorzitter Michael Ritman van de BUN het volgende advies te hebben gegeven:

*  Ik adviseer het BUN-bestuur om alsnog excuses aan te bieden aan het CvdM
   (Commissariaat voor de Media) voor het feit dat de BUN in 2009 mee is gegaan
   met de claim van de BOS als zouden er 900.000 boeddhisten in Nederland zijn.
   En eerst te onderkennen dat de BUN daar destijds en bij het bezwaarschrift
   in 2010 echt in mee is gegaan.
   Dit los van de huidige rechtszaak, maar als morele zaak.

Goede aanleiding voor me, het bezwaarschrift uit 2010 nog eens in de schijnwerper te zetten.
Deze brief van (de advocaat van) de BUN van 9 februari 2010 is door het Commissariaat voor de Media openbaar gemaakt. Ik heb het destijds van hun website gedownload maar kan het er nu niet meer vinden.
Omdat het ook nu nog van betekenis is, geef ik het hieronder, zonder bijlagen, weer.

Het was destijds duidelijk dat het de BOS (in de persoon van directeur Gertjan Mulder) was die verantwoordelijk was voor de claim van 900.000 boeddhisten. Het bestuur van de BUN heeft de concessieaanvraag van 29 september 2009 aan het CvdM, waarin deze claim stond, eenvoudig en zonder veel reflectie overgenomen (d.w.z. voor haar verantwoordelijkheid genomen). Ik denk dat ze het wel mooi vonden: het zou verdubbeling van de zendtijd van de BOS betekenen. En ze zagen er geen kwaad in.

Hoe intensief de BUN-bestuursleden zomer 2009 bij de aanvraag betrokken waren, is mij niet duidelijk. Ik moet uitgaan van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid; zeker in morele, dat is intentionele zin. Uit het verslag van de (openbare) 'Hoorzitting' bij het CvdM d.d 20 oktober 2009 over de aanvraag: "De heer Ten Kate [destijds BOS-voorzitter] : ... De besturen van BUN en BOS hebben een serieus onderzoek uitgevoerd naar het Boeddhisme in Nederland. Daarmee werd in maart gestart. De resultaten daarvan werden in de zomer verwerkt. Parallel aan dat onderzoek werd de zendtijdaanvraag voorbereid."

Officieel heeft de BUN zich nooit van het cijfer van 900.000 gedistantieerd. Wel werd halfslachtig gezegd: het ging om boeddhisten of mensen met affiniteit tot het boeddhisme in de definitie van Commissariaat, daar konden wij ook niets aan doen, zelf gebruiken we lagere cijfers.

Tot een maand geleden; toen zette het bestuur een 'Inventarisatie' op hun website. Met in feite een eerste duidelijk aantal sinds de concessieaanvraag van 2009. Een beleidsdaad van het nieuwe bestuur, waarmee de discussie hoeveel (ongeorganiseerde) boeddhisten er zijn, overigens niet definitief beslist is.
Korte samenvatting: het getal van 900.000 is gecorrigeerd; tot 57.500 (dat kan je wel een correctie noemen), maar dat getal wordt in de 'inventarisatie' wat verdekt genoemd ("352.000 Nederlanders in de eerste plaats inspiratie en richting aan het boeddhisme. Bovendien ontlenen nog eens 495.000 mensen, naast hun eerste keuze, op de tweede plaats inspiratie en richting aan het boeddhisme.", dat is samen 847.000 mensen, waarbij in de aanvraag nog eens ruim 50.000 allochtonen zijn opgeteld, zelf ook weer een zeer twijfelachtig getal en twijfelachtige handeling dit er bij op te tellen.)

Uiteraard (ik zat er destijds met m'n neus bovenop) komt in dit 'bezwaarschrift' ook het NPO-onderzoek aan de orde, ik citeerde hierboven al dhr. ten Kate.
Nog eens voor de duidelijkheid: het gaat me er hier niet om welk deel van het NPO-onderzoek gebruikt is om tot de 900.000 boeddhisten te komen, en of de BOS dit had mogen declareren, het gaat me er hier om dat de BUN achter dit getal is gaan staan.
Natuurlijk is het de BOS geweest die destijds het NPO-onderzoek heeft geëntameerd en is het Gertjan Mulder geweest die, toen hij de concesieaanvraag schreef, de resultaten ervan gekoppeld aan z'n (vooraf geformuleerde) wens boven de 500.000 boeddhisten te komen, dit onderzoek heeft gebruikt.
Het gaat me er om dat de BUN-bestuursleden, als ze hadden nagedacht, hadden kunnen weten dat dit getal niet kón kloppen, (toch) met deze claim zijn meegegaan. Van zomer 2009 tot voorjaar 2010, inclusief de hoorzitting over dit bezwaarschrift vier keer tegenover het CvdM.
Ik ben geen jurist of boekhouder, eerder moralist, ik beschouw dit als moreel onjuist.
Daarom alsnog excuses. Want in feite was het bewust bezijden de waarheid (heb ik dat niet aardig gezegd?)

Het is vervelend dat Michael Ritman en zijn BUN-bestuur hier nu mee worden geconfronteerd, want hoewel ik in dogmatische zin niet geloof in het bestaan van collectief karma (zie blog van 26 september, par. 4.2 ), is deze term in meer dagelijkse zin wel op het BUN-bestuur van toepassing.


=======================================================================

Het bezwaarschrift

"Versteeg wigman sprey advocaten


PER AANGETEKENDE POST
Commissariaat voor de Media
Postbus 1426
1200 BK HILVERSUM

Datum 9 februari 2010
Kenmerk Uw kenmerk: 19752/2009019245
Betreft Bezwaarschrift besluit op aanwijzingsaanvraag ex art. 2.42 Mediawet 2008

BEZWAARSCHRIfT
Geacht Commissariaat,

Namens mijn cliënte, de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Boeddhistische Unie Nederland, gevestigd te (1031 XS) Amsterdam aan de Ranonkelkade 13 I (verder: "B.U.N.") maak ik hierbij bezwaar tegen het besluit van het Commissariaat voor de Media ("het Commissariaat") inzake de aanwijzingsaanvraag ex artikel 2.42 Mediawet 2008, d.d. 31 december 2009 onder kenmerk 19752/2009019245 ("het Besluit"). Een kopie van het Besluit is aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 1. Het Besluit is genomen naar aanleiding van de door B.U.N. ingediende (concessie-) aanvraag in de zin van artikel 2.42 Mediawet 2008 ("de Aanvraag"). Een kopie van de Aanvraag is aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 2.

Inleiding

De Aanvraag betreft een aanvraag van B.U.N. om te worden aangewezen als rechtspersoon voor het verzorgen van media-aanbod op geestelijk terrein voor de landelijke publieke mediadienst.
De Aanvraag is gedaan voor grootteklasse B zoals gedefinieerd in artikel 4 lid 1 van de Beleidsregels aanwijzing kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag 2010-2015 (artikel2.42 van de Mediawet) (hierna: de "Beleidsregels"). Het corresponderende aantal aanhangers van de desbetreffende religieuze of geestelijke stroming voor grootteklasse B dient minimaal 500.000 en maximaal twee miljoen personen te omvatten.

B.U.N. beroept zich voor de schatting van het aantal aanhangers van het desbetreffende stroming, het boeddhisme, op de volgende onderzoeken:
a. de eerste resultaten van het door de afdeling MediaOnderzoek & - Advies van de Nederlandse Publieke Omroep ("NPO") uitgevoerde kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar boeddhisme inNederland (het "NPO- onderzoek");

b. het door het Centraal Bureau voor de Statistiek ("CBS") uitgevoerde onderzoek naar de aanhang van het boeddhisme onder eerste en tweede generatie immigranten, aan de Aanvraag gehecht als bijlage 3;

c. het onderzoek "God in Nederland" 1 uit 2006, dat in opdracht van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap (RKK) door het Sociaal en Cultureel Planbureau ("SCP") en het aan de Radboud Universiteit Nijmegen verbonden Kaski-instituut is uitgevoerd, en

d. het onderzoek van het SCP getiteld "Culturele veranderingen in Nederland (2002)".
Uit het onder a. bedoelde onderzoek blijkt dat het boeddhisme onder Nederlanders een aanhang heeft van 832.895 personen. Indien het aantal boeddhisten onder eerste en tweede generatie immigranten daarbij wordt opgeteld (blijkens het onder b. genoemde onderzoek van het CBS op 1 januari 2007 minstens 113.000 personen), heeft het boeddhisme in Nederland circa 900.000 aanhangers (rekening houdend met een overlap tussen beide groepen). Uit het onder c. bedoelde onderzoek blijkt dat meer dan 500.000 Nederlanders zich het meest verwant voelt met het boeddhisme. Uit het onder d. bedoelde onderzoek volgt, zoals tevens onder 2.2 van het NPOonderzoek is vermeld, dat l,S miljoen Nederlanders zich enigszins tot sterk verwant voelen met het boeddhisme.

Het Commissariaat heeft B.U.N. tijdens een hoorzitting op 20 oktober 2009 gehoord met betrekking tot de Aanvraag.
In het Besluit zijn onder het kopje "uren" onder meer de volgende overwegingen opgenomen:
overweging 34: "Op de bij gelegenheid van het bovengenoemde onderzoek [het NPOVerslag] gestelde vraag welke stroming op dit moment persoonlijk de meeste inspiratie en inrichting biedt, antwoordden, omgerekend naar de gehele bevolking van 18 jaar en ouder, ruim 370.000 mensen met Boeddhisme. Uit de beantwoording van de daaropvolgende vraag welke stroming op de tweede plaats komt als het gaat om inspiratie en richting kan, naar ons oordeel, niet een daadwerkelijke affiniteit worden afgeleid met die stroming."
Overweging 35: "Tijdens de hoorzitting op 20 oktober 2009 kwam voorts naar voren dat op de in het kader van dat onderzoek [het NPO-verslag] tevens gestelde vraag of men zich Boeddhist noemt, circa 200.000 mensen antwoordden zich Boeddhist te voelen maar zich niet tot een stroming te rekenen."
Overweging 36: "Ten behoeve van de zendtijdaanvraag voor de periode 2005-2010 heeft de BUN aangegeven dat de omvang van haar achterban 250.000 mensen bedraagt. ( ... ) Wij achten het evenwel niet aannemelijk dat de achterban van de BUN binnen 5 jaar meer dan
verdrievoudigd is."
Overweging 37: "Wij zijn van oordeel dat de door de BUN gepresenteerde cijfers aantonen dat het Boeddhisme een aanhang heeft van meer dan 100.000 mensen, maar ruim minder dan 500.000 personen."

1 T. Bernts, G. Dekker en J. De Hart, God in Nederland, Kampen: Uitgeverij Ten Have 2006

Overweging 38: "( ... ) Ons zijn geen feiten en omstandigheden bekend en gezien het bovenstaande heeft de BUN ook geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding zijn ( ... ) de indeling van de BUN in grootteklasse C (bij de hoofdstroming van minder dan 500.000 personen) te wijzigen."

Het Commissariaat heeft vervolgens in artikel II van het Besluit als volgt besloten: "Het Commissariaat stelt voor de periode van 1 september 2010 tot en met 31 december 2015 per jaar 69 uur en 30 minuten beschikbaar op de algemene radioprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst en per jaar 23 uur en 6 minuten beschikbaar op de algemene televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst. "

Gronden van het bezwaar
B.U.N. kan zich met het Besluit niet verenigen, omdat zij ten onrechte niet is ingedeeld igrootteklasse B en haar ten onrechte niet de haar op grond van die grootteklasse toekomende hoeveelheid zendtijd is toegekend. Het Besluit is om die reden in strijd met de Beleidsregels. Het bestreden besluit is daarnaast in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu bij de toekenning van zendtijd aan andere omroepen andere maatstaven zijn gehanteerd.

Hiernavolgend zal dit standpunt nader worden uitgewerkt en toegelicht.
Toelichting - De onderzoeken
B.U.N. stelt zich op het standpunt dat het boeddhisme in Nederland meer dan 500.000 aanhangers heeft. Dit volgt onder meer uit het onderzoek "God in Nederland" uit 2006. Een afschrift van het relevante gedeelte van dit onderzoek is aan dit bezwaar gehecht als bijlage 3.
Uit dit onderzoek blijkt dat 4,2% van de Nederlanders van 17 jaar en ouder in 2006 zich het meest verwant voelden met het boeddhisme. Volgens berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek waren er in 2006 12.947.770 Nederlanders met een leeftijd van 17 jaar en ouder.
Daarmee komt de voornoemde 4,2% neer op meer dan 543.000 personen Nederlanders van 17 jaar en ouder die zich in 2006 het meest verwant voelden met het boeddhisme. In bijlage II bij de brief van de afdeling MediaOnderzoek & - Advies van de NPO d.d. 5 februari 2010, aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 4, is onder 1.2 het voornoemde aantal Nederlanders van 17 jaar en ouder in 2006 genoemd.

Aan de uitkomsten van het onderzoek 'God In Nederland' wordt in het Besluit geheel voorbij gegaan. Dit terwijl bijvoorbeeld het besluit, waarbij aan de Stichting Humanistische Omroep zendtijd voor de periode 2010-2015 wordt toegekend, wel op dit onderzoek is gebaseerd. Door in het bestreden Besluit voorbij te gaan aan de uitkomsten van dit onderzoek, handelt het Commissariaat in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
Ook uit een eerder onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau "Culturele veranderingen in Nederland" (2002) onder Nederlanders van 16 jaar en ouder blijkt dat 12% van hen zich enigszins tot sterk verwant voelt met het boeddhisme. Dit komt omgerekend neer op iets meer dan 1,5 miljoen personen. Deze cijfers en de bron daarvan zijn tevens vermeld onder 2.2 van de Aanvraag.
Uit de eerste resultaten van het onderzoek dat op verzoek van B.U.N. in 2009 door de afdeling MediaOnderzoek & - Advies van de Nederlandse Publieke Omroep is uitgevoerd naar de omvang van de aanhang van het boeddhisme in Nederland blijkt dat er anno 2009 meer dan 830.000 Nederlanders van 18 jaar en ouder daadwerkelijk affiniteit hebben met boeddhisme. Aan deze personen is vervolgens gevraagd met welke boeddhistische stroming zij zich het meest identificeren.
De uitslag van dit deel van het onderzoek is in de onderstaande tabel weergegeven. Dit overzicht was nog geen onderdeel van het aan de Aanvraag gehechte NPO-onderzoek en geldt als aanvulling op die "eerste resultaten" van het "grootschalig onderzoek naar de achterban van de BOS". Hoewel de afdeling MediaOnderzoek & - Advies het onderzoek op de datum van dit bezwaar nog niet volbracht heeft, heeft zij op verzoek van de B.U.N. dit overzicht wel alvast toegestuurd om zo nadere informatie te geven die van belang is voor de beoordeling van de Aanvraag. In de als bijlage 4 aan dit bezwaarschrift gehechte brief van de voornoemde afdeling MediaOnderzoek & - Advies wordt gemeld en toegelicht. In bijlage I van die brief is de onderstaande tabel toegelicht.

Andere boeddhistische stroming 0,7% 6
Mahayana (Zen) boeddhisme 11,1% 94
Theravada boeddhisme 0,7% 6
Tibetaans boeddhisme 23,7% 200
Voel me boeddhist, maar identificeer me niet met een bepaalde stroming 24,7% 210
Weet niet 38,4% 325
Geen antwoord 0,7% 6
Totaal 100,0% 847
Deze vraag is gesteld aan alle respondenten die hebben aangegeven daadwerkelijke affiniteit met het boeddhisme te hebben. N=278

2 Overigens heeft de afdeling MediaOnderzoek & - Advies van de NPO, in overleg met TNS NIPO, na het uitbrengen van de 'eerste resultaten' besloten "het bereik van de gebruikte wegingsfactoren te verkleinen, waardoor de weging binnen de gangbare normen valt". Uit de hiervoor bedoelde herberekening volgt overigens dat het absolute aantal personen dat 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme heeft 847.000 is.

Uit dit overzicht blijkt dat 36,2% van de respondenten (absoluut: 306.000 personen) die hebben
aangegeven 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme te hebben zich met een specifieke
stroming van het boeddhisme identificeert. 24,7% van de respondenten voelt zich wel boeddhist,
maar identificeert zich niet met een bepaalde stroming. Absoluut komt dit neer op 210.000
personen. Het totaal van het aantal respondenten dat zichzelf als boeddhist beschouwt is daarmee 60,9%, hetgeen neerkomt op een absoluut aantal van 516.000 personen. Ook op basis van deze cijfers zou de B.U.N. in aanmerking komen voor indeling in grootteklasse B.
In overweging 35 van het Besluit is overwogen dat tijdens de hoorzitting op 20 oktober 2009 naar
voren kwam dat op de in het kader van het NPO-verslag tevens gestelde vraag of men zich
boeddhist noemt, circa 200.000 mensen antwoordden zich boeddhist te voelen maar zich niet tot
een stroming te rekenen. Daarmee wordt gerefereerd aan het aantal van 210.000 mensen uit
bovenstaand overzicht.
Indien het Commissariaat met overweging 35 heeft willen aangeven dat voor de bepaling van de
omvang van de aanhang van het boeddhisme slechts relevant is of de respondenten zich tot een
bepaalde stroming rekenen, en dat de voornoemde 210.000 personen dientengevolge niet als aanhanger van het boeddhisme beschouwd dienen te worden (hetgeen niet door het Commissariaat is gemotiveerd), dient het volgende te worden opgemerkt.
Het feit dat een deel van de respondenten heeft aangegeven zich niet tot een specifieke stroming
binnen het boeddhisme te rekenen is een kenmerk van het Westers boeddhisme (en van de huidige beleving van religie). Kenmerkend voor het Westers boeddhisme is immers, zoals ook uiteengezet in de Aanvraag, dat daarin elementen uit de traditionele substromingen van het boeddhisme en van andere levensbeschouwelijke stromingen worden overgenomen, geïntegreerd en dat daaraan soms een andere vorm wordt gegeven. Daarnaast wordt het boeddhisme gekenmerkt door een hoogopgeleide, kritische en mondige achterban met grote weerzin tegen institutionalisering.
Het is dan ook juist typerend voor het (westerse) boeddhisme dat de aanhangers van deze
overtuiging zichzelf niet gauw tot een stroming rekenen en voor zover zij dit al doen zich niet
beperken tot een specifieke stroming binnen het boeddhisme. De verklaring voor het feit dat een
deel van de respondenten van het NPO-onderzoek aangeeft niet een bepaalde stroming van het
boeddhisme aan te hangen is dan ook dat deze groep het Westers boeddhisme aanhangt.
Daarnaast is het zo dat de hedendaagse West-Europese beleving van geloofsovertuigingen in de loop van de twintigste eeuw informeler is geworden. In het artikel in NRC Handelsblad d.d. 23 december 2007, aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 5, meldt godsdienstsocioloog professor M. Ter Borg dat de "herinnering aan de soms dwingende religieuze gezagsstructuren" "verwaaid" is. Blijkens het artikel is volgens peilingen van het Sociaal en Cultureel Planbureau ongeveer 70 procent van de Nederlandse bevolking gelovig. Slechts 25 procent van hen is echter lid van 'traditionele religieuze instellingen'. In het artikel wordt dan ook gesproken van de "de-institutionalisering" van religie waardoor men minder vasthoudt aan de traditionele stromingen. Ook dit is een verklaring voor het feit dat een deel van de Nederlanders die zichzelf als boeddhist beschouwt, zich niet tot een (geïnstitutionaliseerde, traditionele) stroming van het boeddhisme rekent.
Bovendien dient erop te worden gewezen dat het Commissariaat, gelet op de vrijheid van Godsdienst en de scheiding tussen kerk en Staat, "zich niet [mengt] in theologische discussies of een substroming, richting of school, behoort tot de zuivere leer van de hoofdstroming." Zo heeft het Commissariaat besloten in onder andere overweging 47 van haar besluit d.d. 29 december 2009 op concessieaanvraag van de Stichting Verenigde Moslim Omroep. Indien overweging 35 van het Besluit dan ook zo gelezen dient te worden, dat het Commissariaat daarmee heeft bedoeld dat het aantal mensen dat zich boeddhist voelt, maar zich niet tot een stroming rekent, niet als een aanhanger van het boeddhisme dient te worden beschouwd, is dit in strijd met voornoemde vrijheid van Godsdienst en scheiding tussen kerk en Staat.
Ten slotte dient met betrekking tot overweging 35 het volgende te worden opgemerkt. Ook indien de 210.000 personen die zich niet tot een stroming rekenen in mindering zouden worden gebracht op het totale aantal personen dat blijkens het NPO-rapport 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme heeft (meer dan 840.000), resulteert dit in een aantal van meer dan 630.000. Zelfs indien uit het rapport zou blijken dat er slechts circa 630.000 aanhangers van het boeddhisme zouden zijn in plaats van het door B.U.N. gestelde aantal van meer dan 840.000, dan zou B.U.N. alsnog dienen te worden ingedeeld in grootteklasse B.

De vraagstelling
In overweging 34 van het Besluit is overwogen dat "uit de beantwoording van de ( ... ) vraag welke stroming op de tweede plaats komt als het gaat om inspiratie en richting" naar het oordeel van het Commissariaat "niet een daadwerkelijke affiniteit" met die stroming kan worden aangetoond.
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 maart 20073 op de beroepen tegen de toekenning van zendtijd aan kerkgenootschappen en genootschappen op
geestelijke grondslag voor de periode 2005-2010 wordt in alinea 2.19 overwogen dat een geschikte vraag om de achterban van een hoofdstroming te bepalen is tot welk kerkgenootschap, godsdienst of levensbeschouwelijke groepering de respondent zich rekent.
B.U.N. is van oordeel dat de geloofsbeleving in Nederland sinds 2005 zodanig is gewijzigd dat deze
vraagstelling niet langer voldoet om de aanhang van een bepaalde hoofdstroming te bepalen. Zoals
in het voorgaande reeds is uiteengezet, is slechts 25% van de Nederlandse bevolking lid van
traditionele religieuze instellingen, terwijl 70% van de bevolking wel gelovig is. Als men de in 2005 gehanteerde vraagstelling in 2010 zou hanteren, zou dit dan ook een heel ander beeld van de aanhang van de verschillende hoofdstromingen geven.

Om die reden is het begrip "daadwerkelijke affiniteit" in het NPO-onderzoek in overleg met onder
meer de hoogleraren Vroom (VU) en Oosterling (EUR) en met de heer De Hart van het SCP vertaald in vragen welke stroming op dit moment persoonlijk de meeste inspiratie biedt en welke stroming
daarnaast inspiratie biedt. Deze vraagstelling doet meer recht aan de verschillende vormen waarop
religies en levensbeschouwingen heden ten dage beleefd worden en verschaft een betrouwbaarder
beeld van de stroming waar mensen daadwerkelijk affiniteit mee hebben dan de beantwoording van
de vraag tot welk kerkgenootschap, godsdienst of levensbeschouwelijke groepering men zich rekent.
Overigens volgt ook uit onderdeel 3d van de 'Beleidslijn zendtijdaanvragen van kerkgenootschappen
en genootschappen op geestelijke qrondslaq'" dat 'daadwerkelijke affiniteit' ook blijkt uit 'adhesie betuigingen' aan een bepaalde stroming. Daarvan is sprake als men behalve aan één hoofdstroming ook inspiratie en richting ontleent aan een andere hoofdstroming.
Het is tegenwoordig dan ook wel degelijk mogelijk dat een persoon 'daadwerkelijke affiniteit' heeft met meer dan een stroming. Dit blijkt tevens uit het antwoord op de vraag uit het NPO-onderzoek naar de stroming die naast de stroming die het meeste inspiratie en richting biedt, de meeste inspiratie en richting biedt. De respondenten konden immers ook kiezen voor het antwoord: 'geen tweede stroming'. Indien het publiek zich enkel zou oriënteren op één religie of levensbeschouwing zou dan ook 'geen tweede stroming' zijn geantwoord. Dat is echter niet het geval geweest.
Bovendien luidde de vraagstelling welke stroming 'daarnaast' de meeste inspiratie en richting biedt.
Het antwoord op de vraag welke stroming eveneens inspiratie en richting biedt, geeft om
voornoemde redenen dan ook wel degelijk een 'daadwerkelijke affiniteit' met een bepaalde stroming weer.

Deze visie wordt overigens niet alleen gedeeld door de afdeling MediaOnderzoek & -Advles van de Nederlandse Publieke Omroep. Blijkens het eerder genoemde onderzoek 'God In Nederland' hebben ook het Sociaal en Cultureel Planbureau en het aan de Radboud Universiteit Nijmegen verbonden Kaski-instituut gemeend dat de vraag welke religieuze of levensbeschouwelijke stroming eveneens inspiratie en richting biedt wel degelijk relevant is in het kader van het bepalen van de
geloofsovertuiging. Dit wordt mede aangetoond door het feit dat aanhangers van het Westers
boeddhisme vaak niet alleen affiniteit met slechts één levensbeschouwelijke stroming hebben. In het Westers boeddhisme worden immers elementen van andere levensbeschouwelijke stromingen
overgenomen, geïntegreerd of wordt daaraan een andere vorm gegeven. Dit is de verklaring voor
het feit dat juist de aanhangers van het Westerse boeddhisme met meer dan één stroming daadwerkelijke affiniteit hebben.

De aanvraag voor 2005-2010
De reden dat B.U.N. ten behoeve van de zendtijdaanvraag voor de periode 2005-2010 heeft
aangegeven dat de omvang van haar achterban slechts 250.000 mensen bedroeg, is erin gelegen
dat de B.U.N. destijds voor de berekening van de omvang van haar aanhang een - naar achteraf
blijkt - te strikte interpretatie van het begrip 'daadwerkelijke affiniteit' heeft gehanteerd. Destijds zijn immers alleen tot de aanhang van het boeddhisme gerekend diegenen die een boeddhistisch centrum financieel ondersteunden en participeerden in tenminste de helft van de activiteiten van een dergelijk centrum. Dit is een te streng criterium dat derhalve ook niet houdbaar is. Het feit dat op basis van dit criterium de omvang van de aanhang werd vastgesteld op 250.000 mag om die reden dan ook niet als argument worden gebruikt waarom het onwaarschijnlijk is dat die aanhang nu meer dan 500.000 personen zou bedragen.
Bovendien is een verklaring voor het gestegen aantal boeddhisten in de periode van de
zendtijdaanvraag voor de periode 2005-2010 en de huidige Aanvraag, dat het aantal boeddhisten in
Nederland juist in de afgelopen jaren exponentieel is gestegen. Deze stijging wordt aangetoond door onderstaand overzicht uit bijlage I van het door de afdeling MediaOnderzoek& - Advies van de NPO toegestuurde brief, aan dit bezwaarschrift gehecht als bijlage 4. In dit overzicht wordt antwoord gegeven op de vraag onder de respondenten uit het NPO-onderzoek die hebben aangegeven 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme te hebben, hoe lang ze het boeddhisme beoefenen.
Uit dit overzicht blijkt dat een aanzienlijk deel van de huidige boeddhisten (475.000) pas de laatste vijf jaren het boeddhisme beoefenen, hetgeen aldus de stijging in de omvang van de aanhang van het boeddhisme verklaart.

Minder dan 1 jaar 21,3% 181
1 t/rn 2 jaar 16,2% 138
3 t/rn 5 jaar 18,4% 156
6 tjm 10 jaar 9,0% 77
Meer dan 10 jaar 19,1% 162
Weet niet 15,2% 129
Totaal 100,0% 847
Deze vraag is gesteld aan alle respondenten die hebben aangegeven daadwerkelijke affiniteit met het boeddhisme te hebben. N=278

Bovengenoemde omstandigheden verklaren de discrepantie tussen de opgave van het aantal
aanhangers van het boeddhisme zoals die is gedaan in de zendtijdaanvraag voor de periode 2005-
2010 en in de Aanvraag voor de periode 2010-2015.
De enkele overweging dat het Commissariaat het niet aannemelijk acht "dat de achterban van de
BUN binnen 5 jaar meer dan verdrievoudigd is", is gelet op het bovenstaande dan ook niet
overtuigend.

Conclusie

Het bovenstaande samenvattend kom ik, namens B.U.N. tot geen andere conclusie dan dat, anders dan het Commissariaat in alinea 38 van het Besluit overweegt, er door B.U.N. wel degelijk feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die aanleiding zijn om de indeling van B.U.N. in grootteklasse C te wijzigen. Aangezien uit de gehouden onderzoeken volgt dat het aantal Nederlanders dat een 'daadwerkelijke affiniteit' met het boeddhisme heeft meer dan 500.000 bedraagt, dient de B.U.N. in grootteklasse B te worden ingedeeld.
B.U.N. verzoekt het Commissariaat dan ook het bestreden Besluit te herroepen en alsnog de zendtijdaanvraag van de B.U.N. voor grootteklasse B te honoreren en haar de corresponderende hoeveelheid zendtijd op de algemene radioprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst en op de algemene televisieprogrammakanalen van de landelijke publieke mediadienst toe te kennen.

Hoogachtend,

B.M. van Werven
advocaatnrc

donderdag 11 december 2014

Rapport van de BUN-werkgroep ongeorganiseerden - En een persoonlijk bericht

Een persoonlijk bericht en het verslag van de BUN-werkgroep over de wijze van betrekken van ongeorganiseerde boeddhisten bij de BUN

Eerst dat persoonlijke bericht
Omdat ik links en rechts heb meegedeeld dat ik afgelopen maandag werd geopereerd, nu het nieuws dat die operatie gelukt lijkt te zijn. Ik ben weer terug, m'n fysieke conditie is nog niet honderd procent maar m'n mentale, m'n scherpte dus, al wel.

========================================================================

Dan het BUN-rapport

Gezien m'n grote betrokkenheid, al een jaar of zes, bij dit thema, heb ik het BUN-bestuur om een exemplaar gevraagd, zowel voor de ledenvergadering van 22 november als er na.
Ik kreeg het 8 december van BUN-voorzitter Michael Ritman, op zich al een hele vooruitgang na het spastische zwijgen de afgelopen jaren.

Het probleem begint meteen al met de titel van de werkgroep, hun opdracht die de werkgroep van het bestuur had gehad en de samenstelling van de werkgroep.
1. De titel van de werkgroep was aanvankelijk 'Werkgronden ongebonden boeddhisten'. Nu heeft hij geen naam meer ("Werkgroep die zich bezig houdt met de vraag naar de betrokkenheid bij de BUN van individuele boeddhisten)".

2. De opdracht staat in paragraaf 1 van het rapport, de gewijzigde opdracht in paragraaf 5.
In de brainstormdiscussie bleef hier niets van over, ik citeer uit het verslag:
"H3a Wat wil en kan de BUN betekenen voor individuele boeddhisten?
* Als individuele Boeddhisten zich willen organiseren, dan is dat een mogelijkheid voor deelname.
* Geïnteresseerden de weg naar de sangha’s bieden (bv ook na mindfulness-cursus)
* De opleiding aan de VU/ BZI
* Informatie op website is voor iedereen
* De kennis/ boodschap van het boeddhisme overbrengen
* Wat betreft de vraag naar individuele boeddhisten, vallen we toch weer terug op de term
‘ongeorganiseerden’. Het gaat hier om mensen, die al boeddhist zijn (wat die term ook moge
betekenen). Ze weten dus de weg.
* Veel belangrijker vinden we echter de groep die interesse heeft in het boeddhisme en zich wil
aansluiten bij een van de bestaande sangha’s. "

De ongeorganiseerde boeddhist - de oorspronkelijke opdracht - is dus volledig weggeschreven! Vooral de laatste twee punten zijn denigrerend.

3. Dan de samenstelling. Eerst zaten er vier mensen in, voortgekomen uit de ledenvergadering van de BUN uit 2013. Uit het eindrapport blijkt dat er later twee bestuursleden bij zijn gekomen. Het is misschien voor boeddhisten de gewoonste zaak van de wereld maar deze uitbreiding van een werkgroep die aan het bestuur moet adviseren vind ik op basis van mijn bestuurservaringen onjuist. Correct zou zijn geweest dat het rapport van de (oorspronkelijke) werkgroep met commentaar van het bestuur aan de Ledenvergadering was voorgelegd.

Ritman schrijft in z'n aanbiedingsmail aan mij dat het een intern document betreft maar zeker geen geheim stuk is. Ook dat is een vooruitgang. Ik heb op basis van m'n eigen morele afweging besloten dat ik het mag, ja moet publiceren. Transparantie en openheid (tenzij ...) moet de regel zijn.

De ledenvergadering heeft de middag van de 22e gebrainstormd over de voorstellen van de werkgroep. De gesprekken waren open, levendig en constructief. Er bestaat veel animo om de BUN te vernieuwen en meer naar buiten te richten. Daar gaan we gericht mee aan de slag. (let wel dit is een iets ingekort citaat).

Tenslotte vroeg hij me dat, als ik nog vragen of ideeen had, dat hem te melden.
Dat ga ik doen.
Vooralsnog heb ik er twee
  • Ik adviseer het BUN-bestuur om mijn voorstel over de toekomst van de BUN, opgenomen in mijn blog van 25 augustus , over te nemen.
  • Ik adviseer het BUN-bestuur om alsnog excuses aan te bieden aan het CvdM (Commissariaat voor de Media) voor het feit dat de BUN in 2009 mee is gegaan met de claim van de BOS als zouden er 900.000 boeddhisten in Nederland zijn. En eerst te onderkennen dat de BUN daar destijds en bij he bezwaarschrift in 2010 echt in mee is gegaan. Dit los van de huidige rechtszaak, maar als morele zaak.

Update
In een mail aan Michael noemde ik er nog een paar:
•  Ontwikkel, gericht op de ongeorganiseerde boeddhist, twee vormen van digitale sangha's:
- Bestaande of te starten huiskamergroepen worden op afstand (licht) begeleid door een lid van een sangha (wel meerdere, zodat er keus is).
- 'Echte' digitale sangha's waarbij er niet of nauwelijks sprake is van bij elkaar komen
Over beide vormen is er wel wat (Amerikaanse) literatuur. Zie, voeg ik weer aan die mail toe, het zeer recent verschenen 'Buddhism, the Internet and Digital Media: The Pixel in the Lotus' van Grieve en Veidlinger, ontdekt via Bodhitv. (Ik heb het nog niet gelezen en de BUN kan het zich niet veroorloven, zelfs de Kindle-versie van Amazon kost 100 euro.)

•  Nog steeds is bij de BUN het model van betrekken van ongeorganiseerden mogelijk zoals dat wordt gehanteerd in Duitsland (een platform dat zichzelf binnen randvoorwaarden organiseert en recht heeft op een of twee zetels in de ALV)
Maar dit is wellicht inmiddels een lapmiddel, de identiteitscrisis van de BUN is te ver gevorderd om hier nog heil van te verwachten.

•  Dat breng me tenslotte bij m'n ultieme advies aan de BUN dat ik al herhaaldelijk heb geuit:
hef je op en wacht met een open mind af of er leven is na deze dood.
Einde update


Ik voeg hieronder het rapport toe. Zonder verder commentaar.
Wel erachter als curiositeit uit de oude doos een notitie van de voormalige BUN-voorzitter (een voormalige, na hem zijn er nog vier anderen geweest) Jan Willem Houthoff uit Herfst 2007.

Er is overigens ook een verslag van de brainstorm door de BUN-leden op 22 november gevoerd. Daar heeft het Boeddhistisch Dagblad al over geschreven; ik heb me hier tot het citeren van één passage beperkt.

===============================================================

Een kwestie van betrokkenheid
 
Verslag van de bevindingen van de werkgroep die zich bezig houdt met de vraag naar de
betrokkenheid bij de BUN van individuele boeddhisten.
Amsterdam, 8 oktober 2014

Inhoud
1. Opdracht 3
2. Probleemanalyse 3
3. Bevindingen van de werkgroep 6
4. Omgaan met kritiek 8
5. Aanbeveling 8
6. Voorstel werkgroep 9
7. Vraagstelling 9
Bijlage 1: Schema maatschappelijke omgeving BUN 10
 
Leden van de werkgroep:
Stijn Bunschoten (European Zen Center).
Henk Dolfing (Jewel Heart).
Olivier Provily (European Zen Center).
Michael Ritman (Rigpa)
Aad Verboom (Dhammadipa).
Paula de Wijs (Maitreya Instituut)
 
1. Opdracht
Het bestuur van de Boeddhistische Unie Nederland heeft de werkgroep de volgende opdracht
gegeven:
Moeten ongebonden boeddhisten in de Boeddhistische Unie vertegenwoordigd worden en
zo ja, waarom en op welke organisatorische manier?
Deze vraagstelling is geformuleerd aan de hand van één van de aanbevelingen van het rapport
Lotusbloem uit 2012:
Onderzoek hoe een platform gecreëerd kan worden voor personen die zich niet willen
laten vertegenwoordigen door één van de aangesloten leken-sangha’s, maar wel gehoord
willen worden door BUN-bestuur en ALV.
Het instellen van de werkgroep is daarom een logisch gevolg van de uitkomsten van het rapport
Lotusbloem.
 
2. Probleemanalyse
De werkgroep heeft geprobeerd de hiernavolgende vragen te beantwoorden ten aanzien van het
eventuele lidmaatschap van zogenaamde ongebonden boeddhisten.
1. Wat is de definitie van ‘ongebonden boeddhisten’?
- De werkgroep is er na gesprekken met individuele boeddhisten achter gekomen dat
niemand zich in de term ‘ongebonden boeddhisten’ herkent. Beter is het om te
spreken van ‘individuele boeddhisten’.
- Er zijn in het verleden al veel discussies geweest over de vraag ‘wat is een
boeddhist’. In het kader van de onderzoeksopdracht hanteert de werkgroep deze
brede definitie: ‘iemand die zichzelf als boeddhist ziet’ (noot 1). Dit kan dus iemand zijn die
zich bij een leraar en een organisatie heeft aangesloten, maar ook iemand die dat niet
gedaan heeft.
 
(noot 1) Dit sluit aan bij de definitie in het CBS-rapport van december 2013 ‘Het belang van religie voor sociale
samenhang’: ‘een persoon [die] zich rekent tot een kerkelijke gezindte of levensbeschouwelijke
groepering’. Volgens dit rapport rekent 0,5% van de bevolking zich tot het boeddhisme. Dit komt overeen met 65.000 Nederlanders van 18 jaar en ouder in 2012.

 
2. Wat zeggen de statuten over het lidmaatschap van individuele boeddhisten?
- De statuten voorzien niet in het lidmaatschap van individuele leden. Alleen
groeperingen of organisaties komen onder voorwaarden in aanmerking voor het
lidmaatschap.
 
3. Waarom is dit statutair zo bepaald?
- De BUN is opgericht door de eerste leden van de BUN. Dat waren bestaande
boeddhistische organisaties. In de geschiedenis van de BUN zijn er wel discussies
geweest over een individueel lidmaatschap, maar dat heeft niet geleid tot het instellen
daarvan. De werkgroep erkent dat individuele boeddhisten zich hierdoor mogelijk
buitengesloten voelen.
 
4. Wat zijn de argumenten, voor én tegen, indien individueel lidmaatschap wordt mogelijk
gemaakt?
a. Voor de leden van de BUN:
voor:
- Toegankelijkheid: BUN-leden komen sneller en makkelijker in contact met
individuele boeddhisten.
- Inspiratie: BUN-leden kunnen zich laten inspireren door individuele
boeddhisten met originele visies, maatschappelijke ervaring en specifieke
capaciteiten.
tegen:
- Verwarring: individuele boeddhisten die wél bij een organisatie zijn
aangesloten kunnen binnen de BUN beleidsmatig andere ideeën uiten dan
de vertegenwoordigers van de organisatie waarbij ze aangesloten zijn.
- Evenwichtigheid: wat is het gewicht van een individueel lid ten opzichte
van een organisatie die lid is.
b. Voor de individuele boeddhisten:
voor:
- Zichtbaarheid: Individuele boeddhisten zijn dan officieel vertegenwoordigd
in boeddhistische aangelegenheden in Nederland.
- Betrokkenheid: Individuele boeddhisten kunnen als lid hun betrokkenheid
tonen en zich betrokken voelen.
tegen:
- Individualiteit: Het kan zijn dat individuele boeddhisten zich niet door de
BUN willen laten vertegenwoordigen.
- Onafhankelijkheid: Individuele boeddhisten kunnen los van de BUN
makkelijker een individuele mening verkondigen en een onafhankelijk
geluid laten horen.
c. Voor de maatschappelijke partners:
voor:
- Representativiteit: De maatschappelijke partners overleggen dan met de
BUN als een bredere vertegenwoordiging van het boeddhisme in
Nederland.
tegen:
- Stabiliteit: de BUN is in een nieuwe opzet mogelijk minder stabiel, en
daardoor minder betrouwbaar als gesprekspartner voor maatschappelijke
partners.
d. Voor de BUN als bestuurlijke organisatie:
voor:
- Scherpte: meer kritische reflectie binnen de eigen organisatie.
- Betrokkenheid: de BUN kan profiteren van de betrokkenheid van
individuele boeddhisten.
- Dynamiek: de BUN kan als organisatie aan dynamiek winnen door de
inbreng van individuele leden.
tegen:
- Stabiliteit: te veel dynamiek kan ontwrichtend werken
- Overzichtelijkheid: de organisatie wordt complexer
 
5. Bij wie leeft de vraag of een lidmaatschap voor individuele boeddhisten mogelijk moet
worden gemaakt?
a. Bij de leden van de BUN:
- zie hoofdstuk 1: Opdracht. Deze vraag leeft bij de leden van de BUN, op
basis van de aanbeveling uit het rapport Lotusbloem, onder de noemer van
verbetering van representativiteit en imago.
b. Bij de individuele boeddhisten:
- Er zijn enkele individuele boeddhisten die zich in het verleden
buitengesloten en niet gehoord voelden door de BUN. Dit heeft geleid tot
veel kritiek van hun kant, wat niet bevorderlijk was voor het imago van de
BUN en aan de BUN gerelateerde organisaties (BOS en BZI).
- Er is verder niet onderzocht of de BUN iets kan betekenen voor individuele
boeddhisten. Later in dit rapport komen we in dit verband wel met een
aanbeveling.
c. Bij de maatschappelijke partners:
- De maatschappelijke partners hechten vooral aan stabiliteit, continuïteit en
rust. In dit verband ligt het niet voor de hand om aan de opzet van de BUN
te sleutelen.
d. Bij de BUN als bestuurlijke organisatie:
- Die behoefte is er in beperkte mate, maar wordt wel serieus onderzocht.
 
3. Bevindingen van de werkgroep
De werkgroep heeft diverse relevante stukken bestudeerd en veel onderlinge discussies gevoerd
over het onderwerp. Ook heeft de werkgroep zich laten informeren door relevante betrokkenen,
met als doel een compleet beeld te verkrijgen van de reikwijdte en complexiteit van de
probleemstelling. De werkgroep heeft zich ook laten informeren door het bestuur van de Duitse
Boeddhistische Unie.
 
1. De eerste vraag die de werkgroep zichzelf stelde was of het onderzoek zou gaan over de
vraag of en hoe individuele mensen lid kunnen worden van de BUN. In dat geval zou kunnen worden
gesproken van een technische en organisatorische kwestie, die technisch en organisatorisch
opgelost kan worden, via wijziging van de statuten. De tweede vraag die zich aandiende was of
de kwestie misschien toch complexer was dan gedacht. Dit heeft ook te maken met de
maatschappelijke omgeving van de BUN die steeds complexer wordt. (Zie Bijlage 1, voor een
vereenvoudigde, schematische weergave).
 
2. Naar aanleiding van het rapport Lotusbloem (2012) heeft de BUN een aantal veranderingen
doorgevoerd in haar eigen organisatie. Daardoor gaat veel nu relatief goed, maar er zijn ook
dingen die de BUN nog laat liggen en een voorbeeld daarvan is dat er nog niet goed en helder
gecommuniceerd wordt met mensen buiten de BUN die zichzelf als boeddhist zien, zonder dat ze
lid zijn van een boeddhistische organisatie.
 
3. De werkgroep is tot de constatering gekomen dat ‘ongebonden boeddhisten’ in werkelijkheid
niet bestaan. In de woorden van één van de werkgroepleden: ‘We hebben gezocht naar
ongebonden boeddhisten, maar we hebben ze niet kunnen vinden’. Er is wel sprake van een klein
aantal individuen dat zich kritisch opstelt ten opzichte van de BUN, maar die kritiek is niet altijd opbouwend en wordt in ieder geval vaak niet als zodanig ervaren. Bovendien is die kritiek deelsgericht op het verleden. De werkgroep is tot de conclusie gekomen dat het niet nuttig zou zijn nieuw beleid te formuleren om al dan niet aan deze kritiek een platform te bieden.
Wel bestaan er een heleboel – en steeds meer – mensen die zich aangetrokken voelen tot het
boeddhisme en daar ‘iets mee willen’. De BUN heeft, als vertegenwoordiger van boeddhistische
organisaties in Nederland een grote kans in te spelen op deze toegenomen belangstelling voor
het boeddhisme. Het zou jammer zijn als deze kans bleef liggen.
Er zijn veel mensen te vinden die (uitgesproken) ideeën hebben over de manier waarop het
boeddhisme zich in Nederland zou kunnen profileren en organiseren. De BUN zou meer gebruik
kunnen maken van deze vrij aangeboden kennis en ondersteuning. De vraag of mensen wel of
geen lid zijn van de BUN of van een sangha zou minder een rol hoeven te spelen.
 
4. Er is een geringe en enigszins obligate betrokkenheid van de eigen leden bij bestuurlijke
aangelegenheden te constateren. Bij de achterban van de leden lijkt de interesse in de BUN zo
mogelijk nog minder groot. Volgens de werkgroep zou de ALV zich deze geringe betrokkenheid
moeten aantrekken en haar kunnen beschouwen als een aanleiding om het eigen functioneren
tegen een continu kritisch daglicht te houden. Transparantie en de relatie met de buitenwereld zou
in een degelijke zelfanalyse ook een rol kunnen (en moeten) spelen. Uit diverse nota’s en notulen
blijkt wel dat zowel het bestuur als de leden van de BUN zich van deze problemen bewust zijn.
Maar hoe een en ander kan leiden tot constructieve verbetering van de communicatie van de
BUN is nog onduidelijk.
 
5. De werkgroep heeft zich vanuit diverse perspectieven over de opdracht gebogen en is dus
uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat de inhoud van de opdracht niet goed correspondeert met
de actuele, veranderlijke en levendige diversiteit van boeddhistisch Nederland anno 2014. De
BUN lijkt enigszins in zichzelf gekeerd en beperkt haar werkzaamheden tot bepaalde (enigszins
verzuilde) activiteiten, terwijl de samenleving zich in zeer snel tempo ontwikkelt in een
multireligieuze samenleving, waarin crossovers, onderlinge beïnvloeding en het ontstaan van
nieuwe grenzen en identiteiten aan de orde van de dag zijn. De werkgroep mist een betrokkenheid
en visie van de BUN op deze ontwikkelingen en op maatschappelijke kwesties in het algemeen.
Ze roept de ALV op over deze maatschappelijke betrokkenheid grondig van gedachten te
wisselen.
 
4. Omgaan met kritiek
Een tijd lang liep de relatie tussen de BUN en enkele kritische individuele boeddhisten bijzonder
moeizaam en in het verleden is het meermaals mis gegaan in de communicatie tussen deze
kritische volgers en de BUN. Er zijn volgens de werkgroep te weinig lessen getrokken uit deze
onvruchtbare relatie tussen de BUN en sommige critici. Dit heeft voor een belangrijk deel te
maken met het feit dat de communicatie van deze critici niet altijd opbouwend was, of in ieder
geval niet als zodanig ervaren werd. Toch toont volgens de werkgroep de moeizame relatie met
kritische niet-leden aan dat daar voor de BUN winst te halen valt; de BUN zou meer open en
transparant kunnen functioneren. De ALV heeft in 2009 bepaald dat er ‘geen reactie meer wordt
gegeven op vragen, stellingen, etc. van ongebonden boeddhisten die het beleid en/of de strategie
van de BUN aangaan, niet door het bestuur en niet door de leden’. De werkgroep zou graag zien
dat deze bepaling wordt ingetrokken. Wanneer de BUN op de relevante punten haar visie
verheldert kan er uit eigen kracht gecommuniceerd worden. Ze stelt ook vast dat er behalve deze
bepaling, momenteel geen duidelijkheid is over de manier hoe er wél met individuele boeddhisten
gecommuniceerd kan worden.
 
5. Aanbeveling
De oorspronkelijke onderzoeksvraag is volgens de werkgroep te eng. Volgens de werkgroep is
het nuttiger om de onderzoeksvraag en de probleemstelling te verbreden. Niet alleen moet niet
gekeken worden naar het creëren van een platform voor zogenaamde ongebonden boeddhisten,
maar vooral moet wel gekeken worden naar wat de BUN kan betekenen voor individuele
boeddhisten. Op deze manier wordt niet naar het verleden gekeken, maar naar de toekomst. De
onderzoeksvraag van de werkgroep luidt vanwege voortschrijdend inzicht als volgt:
Wat wil en kan de BUN betekenen voor individuen die zich boeddhist voelen?
 
6. Voorstel van de werkgroep
Gezien de reikwijdte en complexiteit van het onderwerp – die ook te maken heeft met een focus
op het verleden dan wel de toekomst en tevens met de mate van constructiviteit/positiviteit dan
wel destructiviteit/negativiteit – stelt de werkgroep voor om, op basis van de bevindingen van
haar onderzoek, een gedegen collectieve brainstorm te houden in de ALV. Beantwoording van
wezenlijke vragen aangaande de toekomst van de BUN kunnen alleen beantwoord worden door
de leden en niet door een werkgroep met een beperkte onderzoeksopdracht.
Door ideeën te genereren op basis van een aantal gerichte vragen kan een begin worden gemaakt
met het ontwikkelen van een toekomstvisie die wordt gedragen door een actieve ALV. Aan het
eind van dit verslag worden een aantal open vragen geformuleerd die in een dergelijke brainstorm
bestudeerd en beantwoord kunnen worden. Deze vragen zijn slechts richtinggevend; in een
brainstorm moet juist veel ruimte zijn voor relevante eigen inbreng van de leden. Alleen een
collectief gedragen visie binnen een democratisch kader biedt constructieve mogelijkheden en
perspectieven voor wat betreft de toekomst van de BUN.
 
7. Vraagstelling
De werkgroep stelt voor dat naar aanleiding van dit rapport de volgende vragen worden
voorgelegd aan de ALV, in de vorm van een brainstormsessie:
Vraag 1: Wat wil en kan de BUN betekenen, als samenwerkingsverband van
boeddhistische organisaties, voor haar leden?
Vraag 2: Wat wil en kan de BUN betekenen, als samenwerkingsverband van
boeddhistische organisaties, voor de samenleving?
Vraag 3: Wat wil en kan de BUN betekenen, voor individuen die zichzelf als boeddhist
zien en wat kunnen zij voor de BUN betekenen?
De manier waarop de brainstorm wordt ingevuld laten we graag over aan bestuur en ALV.
Uiteraard zijn we beschikbaar voor nadere toelichting en overleg.
 
Bijlage 1: Schema maatschappelijke omgeving BUN (hier niet bijgevoegd)

==================================================================

"OMZIEN IN VERWONDERING - terugblik op vier jaar BUN – Jan Willem Houthoff
 
Ruim een maand geleden heb ik toegezegd om een stukje te schrijven over mijn vier jaar als voorzitter van de BUN. Het leek me boeiend om uit de losse pols te vertellen hoe ik die vier jaar ervaren had. Maar op de een of andere manier kwam het er niet van om het op papier te krijgen. Ik ben er een paar keer aan begonnen, maar het wilde niet. Waarom niet? Omdat ik me niet wilde laten afleiden van mijn beoefening en mijn huidige activiteiten? Ik weet het niet precies. Zoveel werk is het per slot niet om een stukje te schrijven. Tenslotte heb ik mezelf de afgelopen dagen toegesproken en alsnog het stukje geschreven wat nu volgt.
 
Wat je ook doet in je leven, je loopt altijd tegen jezelf aan. Dat is precies wat er ook de afgelopen vier jaar is gebeurd. Ik heb de neiging om plannen te maken en mezelf doelen te stellen. Dat heb ik ook gedaan toen ik voorzitter van de BUN werd. Vier jaar geleden heb ik een soort bedrijfsplan opgesteld, een visie op ontwikkelingsmogelijk-heden van de BUN, op de beperkingen, en op ... (Hier is vermoelijk een zinsdeel weggevallen)
 
Ik heb dat op papier gezet toen ik een week op de Noorderpoort in Wapserveen verbleef.
En wat is er van dat plan terecht gekomen? Niet veel! De klip waar ik tegenaan liep is de klip waar al mijn voorgangers ook tegenaan zijn gelopen: het gebrek aan participatie. Als je plannen maakt heb je mensen en middelen nodig om die plannen uit te voeren, anders kunnen die plannen beter meteen de prullenbak in. De afgelopen jaren heb ik gemerkt dat het voor een koepelorganisatie vrijwel onmogelijk is om aan financiële middelen te komen. Het idee van Jean Karel om een boeddhistische ziektekostenver-zekering op te zetten leek nog het meest haalbaar. Maar we weten inmiddels dat ook dat project maar een matig succes is vanwege ... gebrek aan participatie.
Aan mensen kom je alleen als mensen bereid zijn zich in te zetten. Omdat ik ook wel besefte dat de deelname aan het werk van de BUN - de participatiegraad - verhoogd moest worden is in het bestuur besloten om een rondgang langs alle sangha’s te maken. Dat was om een betere band tussen de BUN en haar leden te leggen, om te inventariseren waar de leden behoefte aan hadden, en tenslotte ook en eigenlijk vooral om na te gaan of de leden bereid waren zich betrokkener op te stellen en een bijdrage aan de BUN te leveren. Als we bij dat laatste gesprekspunt aankwamen (welke bijdrage kunnen jullie als sangha aan de BUN leveren?) werd het meestal stil. En dan kwamen de argumenten: ‘We zijn zelf nog in opbouw, we kunnen zelf iedere steun goed gebruiken, we zoeken zelf ook naar mensen die bereid zijn de handen uit de mouwen te steken’. En als je die mensen dan vindt, dan sta je ze natuurlijk niet af aan een verre koepelorganisatie. Het hemd is nader dan de rok. Het is volstrekt logisch en ook geheel begrijpelijk. Maar als ieder het eigen belang laat prevaleren boven het gezamenlijke belang is er geen basis voor onderlinge samenwerking (BUN-doelstelling nr. 1) of behartiging van de gezamenlijke belangen van de leden (BUN-doelstelling nr. 2). Als het eigen belang voorop staat, is er in wezen geen basis voor een vereniging als de BUN. Hoe kun je een vereniging zijn als mensen zich niet willen verenigen? Wat is dan nog het bestaansrecht van een vereniging?
Dat gebrek aan participatie was natuurlijk niet zo verrassend. Mijn voorganger, Johan Niezing, had me gewaarschuwd. Ik zag het meer als een uitdaging om te slagen waar
mijn voorgangers gefaald hadden. En natuurlijk had ik na een jaar ook wel door dat het mij evenmin zou lukken om met onwillige honden hazen te vangen. Als het daarbij was gebleven, dan zou het voorzitterschap van de BUN niet veel om het lijf hebben gehad. Dan was ik er wellicht zo’n 5 uur per week aan kwijt geweest en had ik het fluitend naast mijn dagelijkse – nogal drukke - baan kunnen doen. Maar het liep anders.
 
Na een jaar gebeurde er iets, waardoor de volgende drie jaren een hectisch gebeuren werden: Theo van Gogh werd vermoord. Vrijwel van de ene dag op de andere ontwaakte Nederland uit een mooie droom. Nederland werd zich bewust van de polariserende krachten die al jarenlang onder de oppervlakte aan het wroeten waren en bezig waren zich tot vrij onverzoenlijke tegen-stellingen uit te bouwen. En die bewust-wording leidde ertoe dat allerlei groeperingen iets wilden doen om te voorkomen dat ons land aan die tegenstellingen kapot zou gaan. De politiek kwam met de leus: ‘Binding in de samenleving’ en allerlei groeperingen en religies werden naar Den Haag ontboden om er samen over te praten. De religies wilden nu ook onderling met elkaar praten. De inter-religieuze dialoog werd een hot item.
Natuurlijk werden de boeddhisten bij die dialoog betrokken. Dat lag ook voor de hand. Want wie er ook tot haat aanzette, geweld en agressie preekte, en voeding gaf aan religieuze frustratie, de boeddhisten niet. Die waren van onbesproken gedrag, daar wilde iedereen wel mee praten, daar kon je je nooit een buil aan vallen. Boeddhisten zijn immers van die mensen die op hun kussentje zitten en mediteren, die naar binnen gericht zijn, die van nature tolerant zijn en open staan voor andere religieuze opvattingen, die spreken over liefde en mededogen en 100% ongevaarlijk zijn. Ideale gesprekspartners dus, als je je op het niet ongevaarlijke terrein van de interreligieuze dialoog wilt begeven. Het enige probleem is: Hoe krijg je ze van die kussens af, hoe krijg je boeddhisten maatschappelijk betrokken? Hoe zorg je dat ze participeren?
De vragen om deelname aan velerlei vormen van interreligieuze dialoog stroomden bij de BUN binnen. Ook in deze situatie werd door de BUN een beroep gedaan op de leden. Maar slechts van een enkeling kwam er respons. Het gevolg was, dat tenslotte het bestuur zelf zich met de interreligieuze contacten ging bezighouden. Aanvankelijk heb ik me in het circuit begeven, daarin later krachtig en effectief bijgestaan door Varamitra. Allengs ging ik me minder bezighouden met de vrij uitzichtloze taak om de boeddhisten tot samenwerking te bewegen. Mijn aandacht ging steeds meer uit naar de onderlinge samenwerking tussen de religies. Er ontstond al snel een nauw onderling contact tussen een aantal bevlogen mensen van uiteenlopende religieuze en levensbeschouwelijke achtergrond die zich ten doel hadden gesteld om ‘de boel bij elkaar te houden’, mensen die de eenheid in de verscheidenheid zochten. De laatste twee jaar van mijn voorzitterschap hebben met name in het teken gestaan van deze interreligieuze dialoog.
Als ik terugkijk op mijn vier jaar dan is dat met verwondering. Ik had me tot taak gesteld om de onderlinge band tussen de sangha’s en tussen BUN, BOS en Vrienden van het Boeddhisme te versterken. Mijn inspanningen op dat vlak hebben maar weinig effect gehad, zijn stukgelopen op het gebrek aan participatie dan wel op het gebrek aan bereidheid tot samenwerking. Ik had bij mijn aantreden in de verste verte niet kunnen dromen, dat mijn bijdrage niet zozeer zou liggen binnen het boeddhisme, maar daarbuiten, te weten op het interreligieuze vlak. Maar juist op dat vlak is er de laatste jaren veel tot stand gekomen.
Als ik omzie dan denk ik vooral aan die inter-religieuze dialoog. Maar ik zie ook een eindeloze rij afspraken, onrust, mailtjes, telefoontjes, etc. Eigenlijk is het een pak van
mijn hart, dat ik na mijn afscheid weer meer aan mijn eigen beoefening toekom. De afgelopen vier jaar heb ik het vaak betreurd dat ik daarvoor zo weinig tijd had. Er waren zo veel verplichtingen… Ik voelde me verantwoordelijk voor de samenwerking tussen de leden van de BUN, voor de goede band tussen boeddhisme en andere religies, en voor het welslagen van de interreligieuze dialoog.
Als ik terugkijk dan begrijp ik dat men de eigen beoefening voorop stelt. De vrede in de wereld begint bij de vrede in jezelf. Zolang er geen vrede in jezelf is zal je bijdrage aan de vrede in de wereld ook niet erg effectief zijn. Het boeddhisme is in Nederland nog zo’n nieuw fenomeen. Het heeft nog niet de tijd gehad om zich te zetten. Vrijwel iedereen is bezig de vrede in zichzelf te zoeken. De beoefening is nog geheel gericht op innerlijke rust en eigen ontwikkeling. Aan de vrede in de wereld is men nog niet toe. Van een juiste balans tussen vrede in zichzelf en vrede in de wereld is nog geen sprake. Zolang die balans er niet is zal het boeddhisme in Nederland een weinig opvallend maatschappelijk fenomeen zijn. We doen onze beoefeningen mede voor het welzijn van alle levende wezens. Maar voorlopig komen de andere wezens er maar bekaaid vanaf. Is dat erg?
Als ik terugkijk zie ik het bestuur, de gezelligheid en de goede sfeer, de vele bijzondere mensen die ik ontmoet heb tijdens de rondgang en bij mijn interreligieuze contacten. Vaak bijzondere en mooie mensen. Het is omzien in verwondering, maar ook met dankbaarheid voor alle vriendschap en warmte.
 
Jan Willem Houthoff "

Bron:    NIEUWSBRIEF
             Boeddhistische Unie Nederland
             Herfst 2007