woensdag 22 februari 2012

Een voorbereidende vervolgopleiding boeddhisme

Een maand geleden schreef ik over de bachelor Religie & Levensbeschouwing, variant boeddhisme die de VU vanaf september dit jaar gaat geven (zie hier).
Daarin schreef ik o.a. “Op zaterdag 17 maart zou een vergelijkbare dag volgen over de pre-master boeddhisme. Informatie daarover moet nog komen
Die informatie is er nu, maar zeer summier. Sinds een paar dagen staat op de website van de VU wat de "premaster specialisatie boeddhisme" in houdt.

De inhoud van deze pagina, het jaarprogramma dus, is:
Periode 1 - Godsdienstfilosofie 6EC
Periode 2 - Drie tradities 1: Theravada 6EC
Periode 3 - Wetenschapsfilosofie van de religie 3EC
Periode 4 - Drie tradities 2: Mahayana/ Chan-Zen
Periode 5 - Drie tradities 3: Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme 6EC
Periode 6 - Premasterthese 3EC

Meer informatie heb ik niet kunnen vinden, ook niet over welke vooropleiding vereist is om tot deze premaster toegang te hebben. De link naar “Meer informatie over inschrijving“ op de volgende pagina [werkte op 22 februari nog niet, de 29e inmiddels wel maar geeft over de premaster boeddhisme geen nadere informatie].

Ter vergelijking, bij de premaster Islam staat er:
"Voor toelating tot de Master Theology and Religious Studies, Islamitische Geestelijke Zorg (IGZ) en Verdieping Islam (VI) geldt aanvullend op het premasterprogramma Arabisch (21EC) en koranrecitatie en memorisatie (9EC) als ingangseis. Toelating geschiedt via een geschiktheidcommissie"

Zou iets vergelijkbaars ook niet voor de premaster boeddhisme moeten gelden?
Dat wil zeggen, het kunnen reciteren van boeddhistische geschriften in hun oorspronkelijke taal (Pali, Sanskriet, Chinees, Tibetaans) is niet zo zinvol in het Westen. Maar enige kennis ervan mag toch wel worden verondersteld?
Het is een seculiere opleiding, dus het boeddhist zijn (bijvoorbeeld het ‘Toevlucht’ hebben genomen) mag geen eis zijn, maar het van binnenuit iets ervaren hebben van de beoefening is toch niet teveel gevraagd?
Over een ‘geschiktheidscommissie’ voor toelating tot de premaster boeddhisme heb ik het maar niet, want wie zou daar (“in Boeddha’s naam”) in moeten zitten?

En dan de inhoud van de premaster.
Het onderscheid in de drie tradities (Theravada, Mahayana en Vajrayana) is nogal standaard. Maar moet er ook niet apart aandacht worden besteed aan wat “Westers boeddhisme” wordt genoemd? Want al is dat in feite een allegaartje, het wel overwegend het in Nederland reeel bestaande boeddhisme.
En wat wordt bedoeld met “Mahayana/ Chan-Zen”? Omdat er onder staat “Vajrayana/ Tibetaans Boeddhisme” vrees ik dat het gelezen moet worden als: “Chan/Zen” is een ander woord voor “Mahayana”. Andere vormen van Mahayana, zoals bijvoorbeeld beoefend door in Nederland wonende Chinezen, krijgen dan geen aandacht.

Vragen, vragen
Maar de belangrijkste vraag is toch wel: waartoe leidt deze premaster? (‘Waartoe’, een bekende VU-vraag)
Op de website van de VU is geen enkele informatie te vinden over een master boeddhisme die in september 2013 zou gaan starten. Informeel, d.w.z. in een soort persbericht over de bachelor-voorlichtingsdag afgelopen 11 februari zegt de VU: “Tijdens deze voorlichting zal je, naast ... , geïnformeerd worden over de mogelijkheden en voorwaarden om te starten met een premaster opleiding. Deze opleiding bereid je voor op de master opleiding Boeddhistisch geestelijk verzorger, welke start in het studiejaar 2013-2014.”

Omdat het daadwerkelijk beschikbaar zijn van een opleiding tot boeddhistisch geestelijk verzorger medebelissend is voor het wel of wel erkennen van de BUN door het ministerie van Justitie (de voorlopige erkenning wordt op dit moment geëvalueerd, zie hier) een nogal urgente vraag.
Helaas heeft de BZI haar toezegging “Vanuit de BZI zullen we eenieder de komende tijd nauwgezet op de hoogte blijven houden van de komende ontwikkelingen betreffende dit alles” van november 2011 niet waargemaakt.

Toch nog een vervolgvraag. Stel dat de master (plus ambtsopleiding) boeddhistisch geestelijk verzorger er september 2013 zou komen, wie zou daar dan toegelaten kunnen worden? Degenen die de premaster hebben gevolgd uiteraard. Maar verder? Afgestudeerden van de bachelor boeddhisme zijn er op z’n vroegst zomer 2015.
Eigenlijk zou het een veel meer organische ontwikkeling zijn als die master in 2015 gaat starten, maar ja die eis van Justitie, die lijkt nogal dominant....
Toch, los van die druk van de overheid, zou het geen tijdverlies zijn als die master pas in 2015 start. In die tijd zou nagedacht kunnen worden over de vraag wat boeddhistisch geestelijk verzorging eigenlijk is; of zou moeten zijn, want in de oorspronkelijke Aziatische vorm van het boeddhisme bestaat die functie eigenlijk niet. In het Westen is er wel wat ervaring met ‘buddhist chaplaincy’, maar een vertaalslag naar de Nederlandse situatie moet nog gemaakt worden; ik heb tenminste niet één inhoudelijke tekst daarover gelezen.
En die tijd zou besteed kunnen worden met het uitvoeren van een onderzoek naar boeddhistisch geestelijke verzorging in de zorgsecor; die zou op z’n minst uit twee delen moeten bestaan
- Hoeveel van de bewoners/cliënten/patiënten in de zorgsector zijn boeddhist of hebben in sterke mate affiniteit tot het boeddhisme? En tot welke traditie behoren ze, of zijn ze traditieloos?
- Hoeveel van hen wil persé geestelijke verzorging door een boeddhist, door een BGVer?
Het zou weleens kunnen dat dat laatste getal nogal klein is; men wil waarschijnlijk kwaliteit, persoonlijke betrokkenheid en een niet-dogmatische (religieuze) attitude van de geestelijk verzorger. In dat geval zou het veel logischer zijn en minder verspilling van overheidsmiddelen betekenen als er een korte applicatiecursus boeddhisme voor reeds gediplomeerde en in de sector werkzame geestelijk verzorgers in plaats van de eigen master zou komen. Formeel heet dat ‘bij- en nascholing', zie hier.
Iets voor de VU misschien?


PS
Een maand geleden, na het uitkomen van mijn boven genoemde blog, heb ik de voorzitter van de BZI gevraagd of er feitelijke onjuistheden in die tekst stonden. In dat geval zou ik uiteraard corrigeren, schreef ik. Op deze mail heb ik echter geen reactie ontvangen.

maandag 13 februari 2012

De evaluatie van de BUN is begonnen

Het KASKI, expertisecentrum over religie en samenleving, verbonden met de Radboud Universiteit Nijmegen, gaat op verzoek van het ministerie van Veiligheid en Justitie, de evaluatie van de BUN ter hand nemen.
Dit blijkt uit een recent bericht op hun website :

Evaluatie hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging
Enkele jaren geleden heeft de Minister van Justitie de Hindoe Raad Nederland (HRN) en de Boeddhistische Unie Nederland (BUN) erkend als zendende instanties die verantwoordelijk zijn voor de hindoeïstische en boeddhistische geestelijke verzorging bij de Dienst Geestelijke Verzorging (DGV). Deze erkenningovereenkomsten kennen na twee jaar een evaluatiemoment. Het Kaski is door de DGV gevraagd beide evaluaties uit te voeren. Indien uit deze evaluaties blijkt dat het functioneren van de HRN en de BUN voldoende is, worden de overeenkomsten omgezet naar onbepaalde tijd.

Het functioneren van de HRN en de BUN als zendende instantie wordt onderzocht op de volgende beoordelingscriteria:
1. representativiteit;
2. aanbod van hindoeïstische verzorging;
3. functioneren als zendende instantie;
4. beschikbaarheid van een universitaire opleiding tot geestelijke verzorger.

Het onderzoek zal worden uitgevoerd door middel van deskresearch, interviews en schriftelijke vragenlijsten.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door dr. Ton Bernts, prof. dr. Paul van der Velde (hoogleraar Aziatische Religies, met name Hindoeïsme en Boeddhisme) en drs. Joris Kregting.
De twee onderzoeken worden uitgevoerd in de periode februari tot en met mei.



Een puntsgewijs eerste kommentaar op deze mededeling, ik kom er ongetwijfeld op terug:
Goed dat deze evaluatie nu plaats gaat vinden en dat het publiekelijk wordt bekend gemaakt.
De keus van het instituut KASKI lijkt me een goede.
Dat de BUN en de Hindoeraad (als zendende instanties) tegelijk worden geëvalueerd heeft wel nadelen; de twee 'religies' vertonen wel enige verwantschap maar sociologisch zijn het hindoeisme in Nederland en het boeddhisme in Nederland nauwelijks met elkaar te vergelijken.
Dat in het tweede criterium alleen 'hindoeistische verzorging' wordt genoemd, is een slordigheid van Justitie, neem ik aan.
Er zit een verschuiving tussen de vier criteria die de KASKI-website meldt en de criteria van de 'Erkenningsovereenkomst' uit november 2008 (zie hieronder). Dit is geen onschuldige vertaling van juridisch jargon in onderzoeks-jargon.


Artikel 2 van de 24 november 2008 door de minister van Justitie en de BUN-voorzitter getekende Erkenningovereenkomst

1. De erkenning geschiedt voor een periode van drie jaar vanaf de datum van ondertekening van de overeenkomst en eindigt van rechtswege. Na twee jaar zal de Minister van Justitie het functioneren van de BUN als zendende instantie evalueren.

2. Na drie jaar zal bij positieve uitkomst van de evaluatie de overeenkomst voor onbepaalde tijd worden voortgezet, tenzij de uitkomsten uit de evaluatie de Minister aanleiding geven om deze overeenkomst voor een bepaalde periode te verlengen

3. Het verlengen van de erkenning geschiedt onder de voorwaarden van representativiteit van de BUN voor de boeddhistische gemeenschap, alsook het garant staan voor het aanbod van de boeddhistische geestelijke verzorging aan alle boeddhistische justitiabelen.

4. De representativiteit van de BUN, als bedoeld in het derde lid, wordt na twee jaar in het kader van de in lid 1genoemde evaluatie, getoetst aan de volgende criteria
a. breedheid van de overkoepeling: de hoeveelheid groeperingen die de BUN vertegenwoordigt;

b. effectiviteit: de daadkracht ten opzichte van en het effect van de BUN op de boeddhistische gemeenschap in Nederland;

c. continuïteit en stabiliteit van de BUN;

d. de toegankelijkheid. Dit brengt met zich mee dat de BUN openstaat voor een aanvraag van een boeddhistische organisatie die lid wil worden van de BUN, mits de organisatie een substantiële en representatieve boeddhistische stroming vertegenwoordigt en indien de organisatie bereid en in staat isbinnen het kader van de toepasselijke wet- en regelgeving, bij te dragen aan de taken van de Dienst Geestelijke Verzorging. De statuten van de BUN bevatten een procedure voor de aansluiting bij de BUN.

5. Het verlengen van de erkenning geschiedt tevens onder de voorwaarde dat binnen drie jaar na deze erkenning een opleiding boeddhistisch geestelijk verzorger op universitair niveau beschikbaar is.