In november gaf ik een groot deel van het rapport weer van de werkgroep die zichzelf de naam heeft gegeven van de Lotus Bloem. Oorspronkelijk heette ze B3 omdat ze de spanningen tussen drie van de landelijke boeddhistische organisaties moest proberen te beschrijven en er oplossingen voor moest formuleren: BUN, BOS en BZI. dit op verzoek van de ledenvergadering van de BUN.
Ik voorzag deze rapportage van mijn kommentaar en gaf het de titel ‘monsterverbond’, een term die in het rapport werd gebruikt om (de samenwerking tussen) een aantal kritische boeddhisten, waaronder ik, te typeren.
De rapportage bleek een interimrapportage te zijn (dat had ik in november niet begrepen, de ledenvergaderingen van de BUN zijn niet openbaar en ook achteraf gaf de website van de BUN geen informatie). De leden vonden het nuttig maar ook noodzakelijk het plaatje compleet te maken.
In ieder geval hebben de onafhankelijke leden van de werkgroep (er zitten ook bestuursleden BUN, BOS en BZI in, en van de laatste twee ook – in zekere zin - beroepskrachten) het gewenst gevonden ook de kriticasters te interviewen die met de onjuiste naam ‘ongebonden boeddhisten’ werden aangeduid.
Uit deze verbreding van de opdracht en de kring van geïnterviewden leid ik af dat het de Werkgroep nu om meer gaat dan herstel van de verstoorde relaties tussen BUN, BOS en BZI, het wordt nu ook nuttig gevonden de relatie met de wereld buiten dit cluster onder de loep te nemen.
Met andere woorden: het gaat ook om de identiteit van de BUN.
Wil de BUN alleen een vereniging zijn van een stuk of veertig (overwegend lokale) boeddhistische groepen? Of wil ze een ‘religieus genootschap’ zijn (die term bedenk ik niet maar staat in de Mediawet, waarop het bestaan van de BOS gebaseerd is) die alle boeddhisten en mensen met duidelijke affiniteit tot het boeddhisme verbindt ?
Ik geef toe, ik interpreteer wellicht een beetje als ik die identiteitsvraag zo centraal stel, maar het is toch ook wel de indruk die ik heb gekregen van het gesprek dat ik eerder deze week met twee leden van de werkgroep ‘De Lotus Bloem’ heb gevoerd.
Hieronder geef ik twee mails weer die ik aan de Werkgroep heb gestuurd, één als reactie op de uitnodiging en één na afloop van het gesprek. Ik heb de teksten enigszins aangepast: hier en daar uitgebreid, dat geef ik cursief aan; geschrapte passages geef ik met puntjes aan.
Wat zal het resultaat zijn van dit gesprek en de andere die de Werkgroep gaat voeren?
De volgende ledenvergadering van de BUN is op 21 april a.s.; ik neem aan dat dan de eindrapportage wordt besproken.
Tegen de tijd zal zo ongeveer ook wel een besluit zijn genomen door het ministerie van Veiligheid en Justitie n.a.v. de evaluatie van de ‘Erkenningsovereenkomst’ tussen BUN en Justitie; dat wordt spannend volgens mij.
Dan weten we of de BUN ook de noodzaak ziet zichzelf opnieuw uit te vinden. (Net als de FNV bijvoorbeeld nu aan het doen is).
Eerste mail aan de Werkgroep
Beste ... (onafhankelijke leden van de Werkgroep B3),
Hartelijk dank voor de uitnodiging voor een gesprek. Ik ben daar blij om en neem aan dat het met mij en anderen (... ) individuele gesprekken zijn; onze situaties en onze opvattingen zijn in een aantal opzichten nogal verschillend.
...
Dan heb ik wat onduidelijkheden over de procedure, ik ben immers niet bij de ALV van 5 november aanwezig geweest. Is het rapport door Bestuur en ALV van de BUN als besluit aangenomen of slechts ter kennisneming; is het een concept dat niet alleen aangevuld maar ook gewijzigd kan. En is het deel dat gereed was al vanaf 5 november van kracht? Geldt dat ook àlle aanbevelingen? Ik heb bv ... begrepen dat het BOS-bestuur geen haast zal maken met het uitvoeren van aanbeveling 11 (bv de daarvoor noodzakelijke BOS-statuten wijzigen); of zelfs ronduit niet zal uitvoeren.
Graag heb ik het ook over mijn suggesties ter verbetering van het functioneren van de PAR, zie bv mijn blog
Dan wat betreft mijn positie ten opzichte van de BUN; hier ... de mail die ik 24 november 2011 aan Andre Kalden als BUN-voorzitter heb gestuurd, na z´n derde telefoontje aan mij over activiteiten van mij waar hij wat verdrietig over was.
Concreet betekent dit o.a. dat ik het in het gesprek niet alleen over toekomstige samenwerking tussen BUN, BOS en BZI wil hebben, ...; maar ook de suggestie wil bespreken waarom het voor de ontwikkeling van het boeddhisme in Nederland beter zou zijn als de BUN zichzelf opheft (benevens suggesties hoe de BOS dan gecontinueerd kan worden).
De vraag hoe ik m’n eigen betrokkenheid bij het boeddhisme in Nederland zie heb ik deels in m’n mail aan André aangestipt. Die is groot, vanaf m’n aanzet tot de oprichting van de Werkgroep Geëngageerd Boeddhisme zo’n acht jaar geleden en m’n initiatief ‘Dharma-vrienden’, hieronder genoemd.
M’n betrokkenheid als kritisch boeddhist (...) wordt bepaald door bezorgdheid over van wat ‘spiritualiteit in de uitverkoop’ is genoemd, de commercialisering, de vermarkting van het boeddhisme. Daardoor werd ik ook steeds kritischer op de BUN die daar aan mee heeft gedaan (een heel lang verhaal om uit te leggen hoe); en die gretig inging op de verleiding van de overheid om een boeddhistische zuil in te richten. ...
Ook de steun van de BUN bij het oprichten van de Mandalaschool had niets met betrokkenheid op kinderen te maken maar op verzuilingsfantasieën.
Het is inmiddels duidelijk geworden dat vrijwel niemand (behalve misschien ...) aan het boeddhisme meer dan een droge boterham kan verdienen.
...
Dat jullie het over het thema´ongebonden boeddhisten´ willen hebben, vind ik schattig. Immers ik heb (met twee anderen) daarover het BUN-bestuur in het verleden al concrete suggesties gedaan, die zijn nog steeds uitstekend, hoewel voor mij tegenwoordig een stuk minder interessant. Kort samengevat: het Duitse model, zie »Buddhistische Gemeinschaft«. En door ons in 2008 aan het bestuur gestuurd stuk; en een uit 2009 aan de leden, dat over meerdere onderwerpen ging (...). Het BUN-bestuur heeft een door ons aangevraagd gesprek daarover afgehouden en geen van de leden liet iets van zich horen. Negativiteit? (Zo luidde het kopje van de paragraaf uit de rapportage die o.a. over het zogeheten monsterverbond ging; ten onrechte vind ik dus)
Drie aanvullende opmerkingen daarbij:
(1) Het is afgezaagd het weer te moeten zeggen, maar ik ben geen ongebonden boeddhist, ik ben verbonden aan een sangha (een m.i. door velen slordig gebruikte term), tevens BUN-lid. Wel heb ik me meestal op persoonlijke titel met BUN-zaken bemoeid . En heb ik geprobeerd, belangeloos, de situatie van ongebonden boeddhisten te verbeteren.
(2) Belangrijker om de situatie van ongebonden boeddhisten te verbeteren dan te kunnen participeren aan het BUN-beleid is het bevorderen dat ze samen het boeddhisme beoefenen. Daarover heb ik in het verleden (in 2008) al wat suggesties gedaan (zie blog); ook aan bestuur en BUN-leden.
Dit voorstel is sterk gebaseerd op ervaringen met de Spirit Rock organisatie in de V.S. (Zie hun website) en geïnspireerd door Stephen Batchelor.
(3) De afgelopen jaren heeft zich het merkwaardige verschijnsel voorgedaan dat het aantal boeddhisten direct verbonden met de BUN (via BUN-leden) niet is toegenomen en misschien wel afgenomen; terwijl de schattingen van het totaal aantal boeddhisten in Nederland exponenteel groeide; daardoor zakte de representatativiteit van de BUN steeds verder. De BUN kan die representativiteit verhogen niet alleen door de ongebondenen te binden maar ook door die schattingen realistischer te maken (bv naar de grootte-orde van 50.000 à 100.000)
Wat dat laatste betreft moet me, en dan heb ik het direct over de relatie BUN-BOS, van het hart dat de BUN alsnog excuses aan moet bieden aan bv het Commissariaat voor de Media voor het klakkeloos meegaan in die onbehoorlijke claims van aantal beroepsboeddhisten. Kunnen we het daar ook over hebben?
Nog een opmerking over de BZI (en de gewenste relatie BUN-BZI) Veel interessanter dan bestuurlijke constructies is de beantwoording van de vraag: heeft het boeddhisme (en dus vooral: de boeddhisten) in Nederland in het algemeen behoefte aan geestelijke verzorging? Als pastorale functie dus zoals (in het verleden) door christelijke kerken werd verricht? Pas als die vraag is beantwoord, is het interessant of boeddhistische geestelijke verzorging ook aan personen in ‘totale instituties’ zoals gevangenissen, verpleeghuizen etc moet worden gegeven. Dat is allemaal overgeslagen en dat wreekt zich nu.
Tenslotte verwijs ik graag naar nog wat andere teksten uit mijn blog van de afgelopen jaren, alle onderdeel van het publieke domein. ...
Tweede mail aan de Werkgroep
Beste ... (onafhankelijke leden van de Werkgroep B3),
Tamelijk aan het eind van ons – in mijn ogen prettig verlopen – gesprek vroegen jullie me naar criteria.
Dat betrof het thema hoe het zou moeten met de BUN na de opheffing van de BUN, van een zichzelf opnieuw uitvindende BUN. Een poging daartoe
Vanmorgen beschreef ik een scenario van: eerst moet de crisis verdiepen, de BUN heft zich op, dan een jaar of wat niets en dan opnieuw iets gaan doen.
Wellicht vinden sommigen dat te heavy en is een milder scenario denkbaar; die heeft wel gevaren in zich net zo als iemand na een half uitgeziekte griep weer voluit gaat werken waardoor de ziekte terugkomt.
Allereerst kunnen jullie als Werkgroep een stap verder zetten in de rol van ‘Verzoeningscommissie’ (als destijds in Zuid Afrika): de strijders worden bij elkaar gebracht en sparen elkaar niet. Op menig punt zal dit een agree-to-disagree conclusie hebben, maar dat geeft niet, boeddhisten hoeven het niet altijd met elkaar eens te zijn, onenigheid is niet hetzelfde als ‘negativiteit’.
Een onderdeel van die ‘Verzoening’ is dat de BUN excuses aanbiedt aan het Commissariaat voor de Media, Justitie en anderen over de claim (in 2009 door de BOS mede namens de BUN gedaan) dat er 900.000 boeddhisten zouden zijn. Dit omdat men best wist dat het aantal ver onder de 250.000 zat, (misschien zelfs in de buurt van de 100.000, denk ik, maar daarover zitten we nog in een ontkenningsfase.)
Voordat de BUN zichzelf deconstrueert en opnieuw uit gaat vinden, moet een borging voor het voortbestaan van de BOS gezorgd worden. Mijn voorstel: de PAR wordt (met statutenwijziging BOS zoals ik voorstelde) verzwaard; met het Commissariaat voor de Media wordt overlegd of de PAR tijdelijk (tot maximaal 2015) ‘religieus genootschap’ als bedoeld in de Mediawet kan zijn.
Vervolgens zijn een aantal verdere (in mijn ogen noodzakelijke) ontwikkelingen:
De VU ontwikkelt opleidingen zoals ze zich voornemen, maar zonder de druk dat dit moet omdat anders de ‘Erkenning’ van de BUN door Justitie beeindigd wordt.
Het ministerie van Justitie wordt gemeld dat geen waarde meer wordt gehecht aan erkenning van de BUN door Justitie maar wel van erkenning van het boeddhisme voor Nederland. Als Justitie echt geestelijke verzorging van gedetineerden, ook in boeddhistische zin, zo belangrijk vindt, bedenken ze wel een oplossing.
Op een aantal plaatsen (dus op lokaal niveau) en tijdstippen vinden discussies plaats met als behulpzame tekst passages uit het rapport ‘boeddhisme als richting’ van de Onderwijsraad. (zie m’n blog daarover)
Dus niet over structuren maar over de inhoud.
Pas dan – we zijn inmiddels zo’n anderhalf jaar verder - gaan we nadenken over nieuwe structuren:
Ik zie drie mogelijkheden:
(1) Een opgetuigde BUN, d.w.z. met rol ongeorganiseerden, het Duitse model
(2) Een minimale BUN, lichte service en formeel t.b.v. de BOS
(3) Echt iets nieuws, een vereniging waarvan boeddhisten rechtstreeks en als individu lid kunnen worden
Ik geef sterk de voorkeur aan het derde model waarbij natuurlijk nog het nodige duidelijk moet worden over de (eventueel getrapte) besluitvorming in een club met meer dan tienduizend leden.
Maar het lijkt me niet verstandig ons nu te fixeren om die problemen, dan wordt het niets.
Ook de manier waarop deze vereniging tot stand moet komen en hoe de eerste honderden leden geworven moet worden, kan later. Geef elkaar de ruimte, de eerste jaren is de eis van representativiteit geen thema, we laten ons niet meer door de overheid (die dat graag wil) onder druk zetten.
Met name bij dit derde model lijkt me een variant op de door de Werkgroep B3 voorgestelde ‘Raad van leraren’ zeer nuttig. Namelijk een ´ethische commissie´ die op verzoek van leden of bestuur maar ook op eigen initiatief adviezen aan de BUN-Nieuwe Stijl uit kan brengen. Daarin kunnen leraren zitten, maar ook ethici, rechtsgeleerden en andere boeddhisten (leken). Maar niet nu dus, eerst zal de BUN zich opnieuw moeten uitvinden!
Vriendelijke groet
Joop Romeijn
zaterdag 21 januari 2012
donderdag 12 januari 2012
(God is niet één) en de Boeddha ook niet; deel 2 - Waarom de verschillen tussen boeddhistische tradities negeren ?
Dit wordt iets anders dan ik 14 december aankondigde. Daar staat dat ik het zou gaan hebben over Chapman’s kritiek op het ‘Consensus-boeddhisme’
Toen ik dat schreef, dacht ik dat ik de blog van David Chapman van het afgelopen halfjaar in lijn lag met mijn ideeen over de ontwikkeling van het boeddhisme in Nederland. Nu heb ik daar wat meer twijfel over.
De teksten van Chapman blijven fascinerend, zie bv z’n blogs van de laatste maand die ik kort zal samenvatten. Zie hier en hier en hier en hier.
Volgens Chapman is, in Amerika, een consensus-boeddhisme steeds populairder aan het worden, waarbij een aantal boeddhistische leraren bewust en in samenwerking met elkaar (gestimuleerd door de Dalai Lama) dit consensus-boeddhisme al een jaar of vijftien aan het bevorderen zijn. Zijn bezwaar daartegen is dat allerlei aspecten van diverse tradities weggepoetst worden, bij hem is dat tantra.
Ik herken in Nederland de door Chapman geschetste ontwikkeling in de richting van ‘Consensus-boeddhisme’ slechts beperkt. Al is de leraar die hij er het meest kenmerkend voor noemt, Joseph Goldstein, ook hier geen onbekende. Het gaat vooral om het in 2003 uitgekomen boek ‘One Dharma: The Emerging Western Buddhism’ van Goldstein. Dit is in het Nederlands vertaald als ‘De opkomst van het Westers boeddhisme’ maar dat is niet meer verkrijgbaar.
Afijn; lees Chapman en de kommentaren op zijn teksten zelf maar in z’n blog. Ik kom nog wel eens op hem terug.
Voor de ontwikkeling in Nederland ga ik eerst even terug naar Deel 1 waarin ik vooral de opvatting van Stephen Prothero weergeef dat ten onrechte wordt gedacht dat al de wereldreligies in wezen dezelfde boodschap hebben, een opvatting die ook door Karin Armstrong wordt omarmd.
En – voeg ik toe – in zekere zin ook door de Dalai Lama in z’n voor Westerlingen bestemde (z’n spirituele boodschap voor Tibetanen is vermoedelijk iets anders, vol religieuze zaken) recente boek ‘Beyond Religion’ stelt dat christenen, boeddhisten, atheïsten zich vooral op ethische zaken als compassie en wederzijds respect hoeven te richten.
Zoals ik al meer heb gezegd: best wel goed maar toch een niet-acceptabele reductie van religies.
Naast deze reductie, vooral door ethisch georiënteerde mensen, zijn er nog twee andere geseculariseerde vormen van reduceren:
De eerste wordt vooral benadrukt door de vele therapeuten, coaches en daarmee vergelijkbare beroepsbeoefenaren en ZZP’ers die interesse in het boeddhisme hebben gekregen: de technische reductie van de beoefening van het boeddhisme tot methoden zoals mindfulness. Daar heb ik al genoeg over geschreven.
De tweede noem ik een feelgood reductie. Ik doel dan op de sterke groei in Nederland (ik hoop en denk dat dit z´n hoogtepunt voorbij is) van enthousiasme voor een lichte vorm van boeddhisme, niet een religie maar een levenswijze zegt men dan met nadruk. Van dit ´buddhism lite´ is er ook nog eens een extra lichte vorm, ook wel genoemd ´spiritualiteit in de uitverkoop´ en gesymboliseerd door de overal te koop zijn de boeddha-beelden; daarover hebben vele critici het ook al vele malen gehad.
Dat is allemaal heel bedenkelijk, vind ik dan; andere boeddhisten denken dat dit een stepping stone kan zijn naar het beoefenen van boeddhismen in een meer diepgaande vorm, gericht op vragen van leven en dood.
De vraag is hoe dit op de langere termijn - bijvoorbeeld over 25 jaar – uitpakt; ik ben dan waarschijnlijk wel dood maar niettemin houd ik m´n hart vast.
Ik wil het echter verder hebben over een veel ouder verschijnsel – ook ruimschoots in Azië optredend - dat in Nederland nog lang niet voorbij is.
Over het feit namelijk dat de meeste boeddhisten en ook de leraren eigenlijk alleen de eigen traditie kennen en ook geen wezenlijke belangstelling voor andere boeddhistische tradities hebben.
De stelling die tegenwoordig echter door veel kenners tevens beoefenaren van het boeddhisme wordt aangehangen: tussen de boeddhistische tradities zijn er aanmerkelijke verschillen die niet ´onschuldig´ te maken zijn door ze als accenten van Thaische, Chinese, Tibetaanse etc cultuur te benoemen. Het zijn ook soteriologische verschillen.
Overzichten van de feitelijke verschillen zijn er genoeg, ook op internet. Google ze maar.
Ze worden zoals ik hierboven beschreef soms ontkend of gebagatelliseerd.
Of er speelt iets anders:
Om de een of andere reden spelen die verschillen vaak geen rol in de hoofden van vele boeddhisten; als die het over ´HET boeddhisme´ hebben bedoelen ze heel vaak en volstrekt impliciet hun vorm van boeddhisme, dus zonder zich maar te realiseren dat dit wat merkwaardig is.
Andere tradities worden soms als ´onjuist´ getypeerd (ik merkte dat vooral bij Theravada-monniken); al wordt dat merkbaar steeds minder als ´spiritueel correct´ gezien.
Of de verschillen worden – in Mahayana-scholen – opgevangen in een systeem met het (in mijn ogen) riskante concept van ‘vaardige middelen’, (Sankriet ´skillful means´, Sanskriet ´upaya´) waarmee alle verschillen tussen tradities worden herleid tot verschillende graden van spirituele intelligentie van beoefenaren.
In nogal wat Mahayana-teksten wordt een vorm van boeddhisme geconstrueerd dat men soms Hinayana noemt (letterlijk: het minder, minderwaardige voertuig) dat goed is in de beoefening van beginners en nogal slordig vrijwel wordt gelijkgesteld (niet altijd expliciet) met het Theravada-boeddhisme.
In termen van inter-boeddhisme-dialoog: dat schiet niet op.
Ik gebruik hier de uitdrukking inter-boeddhisme-dialoog als variant op het populair geworden verschijnsel interfaith dialogue, zie Wiki.
Ik hoop dat dit begrip veel gebruikt gaat worden en kort daarom af als IBD.
Dat de dialoog niet altijd lukt, ook niet bij de V.U. die zich hierop wil profileren, beschrijf ik in m´n blog.
Tegen boeddhisten die ook aan de een dialoog met christenen (willen) participeren zeg ik graag: heel goed maar laten we dan eerst eens oefenen met de dialoog tussen boeddhistische tradities, een IBD dus; of is die juist moeilijker dan interfaith ?
Laat ik eens proberen een paar suggesties te doen hoe de IBD plaats kan vinden.
Geen groot nationaal debat, maar kleine lokale en regelmatuig terugkerende bijeenkomsten.
Waarom eigenlijk zulke debatten?
Ze horen bij het boeddhisme, in ieder geval in het klassieke. En bovendien is het leuk, vind ik dan.
Maar vooral kunnen ze nieuwe zoekers op het boeddhische pad helpen en meer ervarenen helpen hun plaats in de diverse tradities te verhelderen.
Zelf geef ik de voorkeur aan een frontale benadering: die over de verschillen tussen de leerstellingen. Veel klassieke Aziatische discussies gaan ook daarover, want in tegenstelling tot het beeld dat sommigen ervan hebben, kunnen (klassieke) boeddhisten behoorlijk met elkaar in de clinch liggen. Helaas werkt deze methode in discussie tussen de meeste spiritueel softe mensen in Nederland niet (is mijn indruk); ook niet omdat behoorlijke kennis van de leerstellingen daarbij verondersteld wordt.
De weg van ´samen optrekken´ - met alle gevaren van bagatelliseren en ontkennen van verschillen – lijkt toch nog de beste. Ik bedoel: een aantal belangrijke begrippen van alle kanten bekijken, wat bedoel jij met ‘niet-zelf’ en wat bedoelt mijn traditie er mee? Mag je niet genieten en wat is hechten in het boeddhisme, hoe denken de tradities daar over? Enzovoorts maar voor veel mensen wat te intellectualistisch.
Een meer makkelijke vorm is het wellicht, niet met de leerstellige kant maar met de verschillen in rituelen te beginnen. Dat gesprek zal zich trouwens, als het zich niet tot estheticisme (tot mooie plaatjes of muziek) beperkt, toch ook naar inhoudelijke kanten ontwikkelen.
Een derde vorm is het vergelijken van methoden van beoefening. Neem iets waarvan het makkelijk lijkt dat men weet waarover men heeft: het mediteren. Het is me verschillende malen in gesprekken met mediterenden van andere tradities opgevallen dat we er impliciet van uit gingen dat
mediteren = mediteren = mijn manier van mediteren. Niet dus.
Bij een Tibetaans meditatie-weekend dat ik een keer bijwoonde, dacht ik herhaaldelijk: wanneer eindigen de rituelen nu en begint de meditatie? Onjuiste verwachtingen.
Misschien niet geschikt als een beginners-discussie maar daarna een bruikbare weg.
In ieder geval zal startpunt moeten zijn de bereidheid een onbevangen houding aan te nemen t.o.v. de andere traditie. Het zonder mening of theorie de vertegenwoordiger van de andere traditie bevragen.
Maar ook – ik herhaal het maar – zonder zo snel mogelijk naar consensus te zoeken.
Die onbevangenheid zal soms op de raarste momenten nodig kunnen zijn; zo kijken mensen soms vreem op als ik beweer dat Theravada niet het begrip ´Boeddha-Natuur´ gebruikt. Ik van mijn kant was nogal verbaasd toen toen me doordrong (een beetje dan) wat tantrisch boeddhisme inhoudt: een wereld van verschil.
Wat ook nodig is, ik weet dat het wat schools klinkt, is eerst zo goed mogelijk je termen definiëren; want de mogelijkheid tot misverstanden is legio.
En hoe discussieer je eigenlijk? We zijn vooral vrij lange talks gewend, monologen dus, met soms gelegenheid tot het stellen van vragen aan de leraar die de talk geeft. Dat is voor een discussie niet zo’n goed model. Maar op twitter-berichten-niveau wordt het weer te kreterig, geeft ook geen verdieping. Gewoon iemand een paar minuten laten uitpraten; maar ook: na een paar minuten stoppen me je betoog.
En opnieuw: streef niet te snel naar consensus. En probeer aandachtig te zijn over je superioriteitsgevoelens.
Een uitzondering op mijn stelling dat de IBD haast nooit plaatsvindt, is een serie uitzendingen van de BOS-Radio onder de titel ´Kwesties voor leraren´ in 2010 en 2011. Zie hier en hier en hier en hier en hier. Toen stopte de serie helaas, de leraren waren toch niet op ?
Ik ga de BOS eens vragen die reeks voort te zetten (misschien niet alleen tussen leraren, ook tussen leerlingen); en ook of ze de gevoerde gesprekken uitgetypt kunnen publiceren.
Een andere uitzondering waren de halfjaarlijkse studiedagen van de Stichting Vrienden van het Boeddhisme, maar zoals alles is ook dit vergankelijk en voorbij.
Want de vraag is natuurlijk: wie moet zoiets organiseren? Een paar ideetjes.
- André van der Braak natuurlijk, het wordt in feite z’n taak een beetje als nieuwe VU-hoogleraar.
- Een stuk of drie sangha’s per stad komen een keer bij elkaar en organiseren een lokale bijeenkomst
- Een paar enthousiaste individuele (ongebonden) boeddhisten die elkaar via sociale media vinden
- De BOS misschien, ook de televisie: kan puur boeddhistische programma’s opleveren.
Er tegen aan
Toen ik dat schreef, dacht ik dat ik de blog van David Chapman van het afgelopen halfjaar in lijn lag met mijn ideeen over de ontwikkeling van het boeddhisme in Nederland. Nu heb ik daar wat meer twijfel over.
De teksten van Chapman blijven fascinerend, zie bv z’n blogs van de laatste maand die ik kort zal samenvatten. Zie hier en hier en hier en hier.
Volgens Chapman is, in Amerika, een consensus-boeddhisme steeds populairder aan het worden, waarbij een aantal boeddhistische leraren bewust en in samenwerking met elkaar (gestimuleerd door de Dalai Lama) dit consensus-boeddhisme al een jaar of vijftien aan het bevorderen zijn. Zijn bezwaar daartegen is dat allerlei aspecten van diverse tradities weggepoetst worden, bij hem is dat tantra.
Ik herken in Nederland de door Chapman geschetste ontwikkeling in de richting van ‘Consensus-boeddhisme’ slechts beperkt. Al is de leraar die hij er het meest kenmerkend voor noemt, Joseph Goldstein, ook hier geen onbekende. Het gaat vooral om het in 2003 uitgekomen boek ‘One Dharma: The Emerging Western Buddhism’ van Goldstein. Dit is in het Nederlands vertaald als ‘De opkomst van het Westers boeddhisme’ maar dat is niet meer verkrijgbaar.
Afijn; lees Chapman en de kommentaren op zijn teksten zelf maar in z’n blog. Ik kom nog wel eens op hem terug.
Voor de ontwikkeling in Nederland ga ik eerst even terug naar Deel 1 waarin ik vooral de opvatting van Stephen Prothero weergeef dat ten onrechte wordt gedacht dat al de wereldreligies in wezen dezelfde boodschap hebben, een opvatting die ook door Karin Armstrong wordt omarmd.
En – voeg ik toe – in zekere zin ook door de Dalai Lama in z’n voor Westerlingen bestemde (z’n spirituele boodschap voor Tibetanen is vermoedelijk iets anders, vol religieuze zaken) recente boek ‘Beyond Religion’ stelt dat christenen, boeddhisten, atheïsten zich vooral op ethische zaken als compassie en wederzijds respect hoeven te richten.
Zoals ik al meer heb gezegd: best wel goed maar toch een niet-acceptabele reductie van religies.
Naast deze reductie, vooral door ethisch georiënteerde mensen, zijn er nog twee andere geseculariseerde vormen van reduceren:
De eerste wordt vooral benadrukt door de vele therapeuten, coaches en daarmee vergelijkbare beroepsbeoefenaren en ZZP’ers die interesse in het boeddhisme hebben gekregen: de technische reductie van de beoefening van het boeddhisme tot methoden zoals mindfulness. Daar heb ik al genoeg over geschreven.
De tweede noem ik een feelgood reductie. Ik doel dan op de sterke groei in Nederland (ik hoop en denk dat dit z´n hoogtepunt voorbij is) van enthousiasme voor een lichte vorm van boeddhisme, niet een religie maar een levenswijze zegt men dan met nadruk. Van dit ´buddhism lite´ is er ook nog eens een extra lichte vorm, ook wel genoemd ´spiritualiteit in de uitverkoop´ en gesymboliseerd door de overal te koop zijn de boeddha-beelden; daarover hebben vele critici het ook al vele malen gehad.
Dat is allemaal heel bedenkelijk, vind ik dan; andere boeddhisten denken dat dit een stepping stone kan zijn naar het beoefenen van boeddhismen in een meer diepgaande vorm, gericht op vragen van leven en dood.
De vraag is hoe dit op de langere termijn - bijvoorbeeld over 25 jaar – uitpakt; ik ben dan waarschijnlijk wel dood maar niettemin houd ik m´n hart vast.
Ik wil het echter verder hebben over een veel ouder verschijnsel – ook ruimschoots in Azië optredend - dat in Nederland nog lang niet voorbij is.
Over het feit namelijk dat de meeste boeddhisten en ook de leraren eigenlijk alleen de eigen traditie kennen en ook geen wezenlijke belangstelling voor andere boeddhistische tradities hebben.
De stelling die tegenwoordig echter door veel kenners tevens beoefenaren van het boeddhisme wordt aangehangen: tussen de boeddhistische tradities zijn er aanmerkelijke verschillen die niet ´onschuldig´ te maken zijn door ze als accenten van Thaische, Chinese, Tibetaanse etc cultuur te benoemen. Het zijn ook soteriologische verschillen.
Overzichten van de feitelijke verschillen zijn er genoeg, ook op internet. Google ze maar.
Ze worden zoals ik hierboven beschreef soms ontkend of gebagatelliseerd.
Of er speelt iets anders:
Om de een of andere reden spelen die verschillen vaak geen rol in de hoofden van vele boeddhisten; als die het over ´HET boeddhisme´ hebben bedoelen ze heel vaak en volstrekt impliciet hun vorm van boeddhisme, dus zonder zich maar te realiseren dat dit wat merkwaardig is.
Andere tradities worden soms als ´onjuist´ getypeerd (ik merkte dat vooral bij Theravada-monniken); al wordt dat merkbaar steeds minder als ´spiritueel correct´ gezien.
Of de verschillen worden – in Mahayana-scholen – opgevangen in een systeem met het (in mijn ogen) riskante concept van ‘vaardige middelen’, (Sankriet ´skillful means´, Sanskriet ´upaya´) waarmee alle verschillen tussen tradities worden herleid tot verschillende graden van spirituele intelligentie van beoefenaren.
In nogal wat Mahayana-teksten wordt een vorm van boeddhisme geconstrueerd dat men soms Hinayana noemt (letterlijk: het minder, minderwaardige voertuig) dat goed is in de beoefening van beginners en nogal slordig vrijwel wordt gelijkgesteld (niet altijd expliciet) met het Theravada-boeddhisme.
In termen van inter-boeddhisme-dialoog: dat schiet niet op.
Ik gebruik hier de uitdrukking inter-boeddhisme-dialoog als variant op het populair geworden verschijnsel interfaith dialogue, zie Wiki.
Ik hoop dat dit begrip veel gebruikt gaat worden en kort daarom af als IBD.
Dat de dialoog niet altijd lukt, ook niet bij de V.U. die zich hierop wil profileren, beschrijf ik in m´n blog.
Tegen boeddhisten die ook aan de een dialoog met christenen (willen) participeren zeg ik graag: heel goed maar laten we dan eerst eens oefenen met de dialoog tussen boeddhistische tradities, een IBD dus; of is die juist moeilijker dan interfaith ?
Laat ik eens proberen een paar suggesties te doen hoe de IBD plaats kan vinden.
Geen groot nationaal debat, maar kleine lokale en regelmatuig terugkerende bijeenkomsten.
Waarom eigenlijk zulke debatten?
Ze horen bij het boeddhisme, in ieder geval in het klassieke. En bovendien is het leuk, vind ik dan.
Maar vooral kunnen ze nieuwe zoekers op het boeddhische pad helpen en meer ervarenen helpen hun plaats in de diverse tradities te verhelderen.
Zelf geef ik de voorkeur aan een frontale benadering: die over de verschillen tussen de leerstellingen. Veel klassieke Aziatische discussies gaan ook daarover, want in tegenstelling tot het beeld dat sommigen ervan hebben, kunnen (klassieke) boeddhisten behoorlijk met elkaar in de clinch liggen. Helaas werkt deze methode in discussie tussen de meeste spiritueel softe mensen in Nederland niet (is mijn indruk); ook niet omdat behoorlijke kennis van de leerstellingen daarbij verondersteld wordt.
De weg van ´samen optrekken´ - met alle gevaren van bagatelliseren en ontkennen van verschillen – lijkt toch nog de beste. Ik bedoel: een aantal belangrijke begrippen van alle kanten bekijken, wat bedoel jij met ‘niet-zelf’ en wat bedoelt mijn traditie er mee? Mag je niet genieten en wat is hechten in het boeddhisme, hoe denken de tradities daar over? Enzovoorts maar voor veel mensen wat te intellectualistisch.
Een meer makkelijke vorm is het wellicht, niet met de leerstellige kant maar met de verschillen in rituelen te beginnen. Dat gesprek zal zich trouwens, als het zich niet tot estheticisme (tot mooie plaatjes of muziek) beperkt, toch ook naar inhoudelijke kanten ontwikkelen.
Een derde vorm is het vergelijken van methoden van beoefening. Neem iets waarvan het makkelijk lijkt dat men weet waarover men heeft: het mediteren. Het is me verschillende malen in gesprekken met mediterenden van andere tradities opgevallen dat we er impliciet van uit gingen dat
mediteren = mediteren = mijn manier van mediteren. Niet dus.
Bij een Tibetaans meditatie-weekend dat ik een keer bijwoonde, dacht ik herhaaldelijk: wanneer eindigen de rituelen nu en begint de meditatie? Onjuiste verwachtingen.
Misschien niet geschikt als een beginners-discussie maar daarna een bruikbare weg.
In ieder geval zal startpunt moeten zijn de bereidheid een onbevangen houding aan te nemen t.o.v. de andere traditie. Het zonder mening of theorie de vertegenwoordiger van de andere traditie bevragen.
Maar ook – ik herhaal het maar – zonder zo snel mogelijk naar consensus te zoeken.
Die onbevangenheid zal soms op de raarste momenten nodig kunnen zijn; zo kijken mensen soms vreem op als ik beweer dat Theravada niet het begrip ´Boeddha-Natuur´ gebruikt. Ik van mijn kant was nogal verbaasd toen toen me doordrong (een beetje dan) wat tantrisch boeddhisme inhoudt: een wereld van verschil.
Wat ook nodig is, ik weet dat het wat schools klinkt, is eerst zo goed mogelijk je termen definiëren; want de mogelijkheid tot misverstanden is legio.
En hoe discussieer je eigenlijk? We zijn vooral vrij lange talks gewend, monologen dus, met soms gelegenheid tot het stellen van vragen aan de leraar die de talk geeft. Dat is voor een discussie niet zo’n goed model. Maar op twitter-berichten-niveau wordt het weer te kreterig, geeft ook geen verdieping. Gewoon iemand een paar minuten laten uitpraten; maar ook: na een paar minuten stoppen me je betoog.
En opnieuw: streef niet te snel naar consensus. En probeer aandachtig te zijn over je superioriteitsgevoelens.
Een uitzondering op mijn stelling dat de IBD haast nooit plaatsvindt, is een serie uitzendingen van de BOS-Radio onder de titel ´Kwesties voor leraren´ in 2010 en 2011. Zie hier en hier en hier en hier en hier. Toen stopte de serie helaas, de leraren waren toch niet op ?
Ik ga de BOS eens vragen die reeks voort te zetten (misschien niet alleen tussen leraren, ook tussen leerlingen); en ook of ze de gevoerde gesprekken uitgetypt kunnen publiceren.
Een andere uitzondering waren de halfjaarlijkse studiedagen van de Stichting Vrienden van het Boeddhisme, maar zoals alles is ook dit vergankelijk en voorbij.
Want de vraag is natuurlijk: wie moet zoiets organiseren? Een paar ideetjes.
- André van der Braak natuurlijk, het wordt in feite z’n taak een beetje als nieuwe VU-hoogleraar.
- Een stuk of drie sangha’s per stad komen een keer bij elkaar en organiseren een lokale bijeenkomst
- Een paar enthousiaste individuele (ongebonden) boeddhisten die elkaar via sociale media vinden
- De BOS misschien, ook de televisie: kan puur boeddhistische programma’s opleveren.
Er tegen aan
Abonneren op:
Posts (Atom)